U bent hier: Welkom » Oorlogsverhalen » De quarantainedienst tijdens de oorlog

De quarantainedienst tijdens de oorlog

Op vaderlandse bodem – aantekeningen van een zuster.

Hollandse kerels, Neerlandse mannen, die wreed van hun dierb’ren werden verbannen. In Duitsland getrapt, vernederd, veracht; zij leven daar in één voortdurende nacht.

In Holland terug, gevlucht of legaal. Als eerste stap ’t Rode Kruis in Oldenzaal. Hoe lieflijk werden ze daar ontvangen, het stilde gedeeltelijk ’t huislijk verlangen.

 

Het Rode Kruis in actie.

Holland! Bij het uitspreken van dat ene woordje denken we aan dat kleine landje aan de zee. Het staat bekend om zijn vrijheidszin, maar aan die vrijheid kwam plotseling een einde. Wat we niet gedacht hadden gebeurde. Ook ons landje werd door de Duitsers overrompeld. Binnen enkele dagen was het pleit beslecht. Ons Holland was geen Holland meer…. De nachtmerrie van een bezettingstijd kwam over ons. Het werd ons langzamerhand duidelijk gemaakt, dat we geen enkele mening meer hadden. Ondanks alle mooie beloften, gedaan in de courant of op de radio omgeroepen, ondanks de redevoeringen van Seys Inquart en zijn trawanten, werd ons land stap voor stap door de vijand ingepalmd. In het begin waren we er nog niet op bedacht, maar langzamerhand gingen ons de ogen open. Een angstige tijd brak aan…. Vrij met elkander spreken konden we niet meer. Steeds moesten we op onze hoede zijn voor een controle. Het leven beklemde ons, zelfs tot op ons bed toe. De Duitsers zagen dat ze ons volk moeilijk klein konden krijgen en daarom namen ze hun toevlucht tot een ander middel, bruut geweld. Als mokerslagen kwamen de slagen op ons neer…. Ons land werd leeggeplunderd. De vijand vergreep zich aan onze particuliere eigendommen. De arbeidsdienst werd ingevoerd. We kregen onze eerste onderduikers! Voor de arbeidsinzet werden velen verplicht om in Duitsland te gaan werken. Een golf van verontwaardiging ging door ons land toen ons leger weer in krijgsgevangenschap moest. Deze maatregel had een staking tot het gevolg. De staking werd bloedig bedwongen. Goede Nederlanders werden gefusilleerd. Velen werden in gevangenissen geworpen of werden gemarteld in de concentratiekampen. De vijand lachte…. Nog harder zou hij ons volk treffen. In het najaar van 1944 werden door de Duitsers de ons zo bekende razzia’s gehouden.  Onze mannen en jongens werden uit de huizen gesleurd, werden van de straten opgepikt en als ballingen naar het gehate Naziland gevoerd. Wij allen ondervonden in die bezettingsjaren wat het gevolg is, indien het leven wordt beheerd door een verkeerd beginsel. De vijand werd geleid door het beginsel der revolutie en daardoor was hij tot alles in staat. De nood van ons volk was echter groot, zeer groot…. De honger klopte bij velen aan de deur, ellende en gebrek heerste in verscheidene huizen. Doch aan de horizon daagde het licht. De redding was nabij…. Onze bondgenoten waren met een niet te stuiten geweld door de Duitse linies heen gebroken en stonden nu aan de poorten van Zuid Nederland. Op een enkele plaats waren ze zelfs al op Hollands gebied. Wanneer Duitsland zou bezet zijn, zouden deze terugkerende arbeiders uit Duitsland bij duizenden de grens overkomen. Er zou voor het Rode Kruis zeer zeker een tijdperk aanbreken van hard werken.

Op 14 juli 1944 kreeg de waarnemend secretaris van de Afd. Oldenzaal, via de hoofdbestuurslid van der Dussen,  in het geheim opdracht om maatregelen te treffen de terugkerende Holllanders na de bevrijding zo goed mogelijk in het vaderland te ontvangen. De geallieerden vielen in het zuiden  ons land binnen. Er volgde een conferentie met de verschillende hoofden der illegale diensten. Hier werden de taken verdeeld, die verricht moesten worden zodra de bevrijding een feit was. Het Rode Kruis zou de verzorging der terugkerenden ter hand nemen. Met de controle der mensen zou zich de belastingdienst belasten. Maar een teleurstelling volgde…. De bevrijding kwam niet! De geallieerden werden bij Arnhem tegengehouden. De opmars ging niet door! De vijand kreeg weer even tijd om op adem te komen. Wel was de spoorwegstaking doorgegaan en door de loop der gebeurtenissen leefde ons volk weer in een blijde hoop! Maar de Duitsers zaten ook niet stil. Zij namen hun toevlucht tot dwangmaatregelen, die zo sterk ons zenuwstelsel van streek brachten. Op 25 oktober 1944 hielden de Duitsers hier in Oldenzaal een razzia, waarbij mannen en jongens op een hoop werden samengedreven, ongeveer 900 Oldenzaalse burgers werden naar Duitsland gevoerd. Het Rode Kruiis kwam direct in actie. Hoe moesten de weggevoerde burgers geholpen worden? Veel  kon de Afdeling van het Rode Kruis niet doen, maar wel stuurde zij pakjes en brieven de grens over.  De transportcolonne was dag en nacht in de weer en zond honderden pakjes naar Duitsland. Eerst deed men dit met gehuurde auto’s of met andere diensten. Weldra kreeg het bestuur de beschikking over een bestelwagen van den heer H. van der Lied en een personenauto van de N.V. Reefs Wegenbouw. De bestelwagen werd ingericht als ziekenauto en werd bestemd voor het vervoer van zieken. Dit vervoer was hard nodig. De particuliere ondernemers konden de zieken niet meer vervoeren en deze taak nam nu het Rode Kruis over. De personenauto werd voor personenvervoer en voor reservedienst gebruikt. Vele Twentenaren werktan aan de IJsselversterkingen bij Zwolle. Ook daarheen werden pakjes gebracht. Op de terugreis van Zwolle naar Oldenzaal werden geneesmiddelen voor de ziekenhuizen en apotheken meegebracht. Het publiek liet zich niet onbetuigd en offerde mild voor dit Rode Kruiswerk. Aan vrijwillige giften werd ontvangen F 1470. De kerken van Oldenzaal bleven niet achter. Een collecte op een Zondag gehouden bracht F 3719 op. Zo steunde men van alle kant het Rode Kruis. Honderden nieuwe leden gaven zich op. De heer W. Smudde werd door het dagelijks bestuur in haar dienst genomen. Hij stelde zich belangeloos ter beschikking van het Rode Kruis. Door ziekte van den Secretaris verkreeg hij met den Commandant  van de transportcolonne. Dr. de Bruyn, de leiding over de pakjesverzending. Toen kreeg het Rode Kruis met tegenslag te kampen. Piek (N.S.B.) werd tot Secretaris Generaal van het Rode Kruis benoemd. Het Hoofdbetuur trad af. Onze auto’s werden in beslag genomen, evenals dit het geval was in zoveel andere plaatsen. Voor ons Rode Kruiswerk was dit heel jammer. Naderhand heeft men de ziekenauto vrij kunnen krijgen. De bestelwagen werd door de Duitsers naar elders vervoerd. Ook het afdelingsbestuur hier ter plaatse volgde het Hoofdbestuur en nam ontslag. Het Rode Kruis in feite bestond niet meer. De pakjesdienst werd aan de N.V.A.T.O. overgedaan. Enkele weken daarna werd door de Duitsers het pakjes zenden geheel verboden. Ook dit was nu afgelopen….

De quarantaine bij Ankoné ingang Eschstraat

Op 27 november 1944 werd de Quarantaine in dienst gesteld. En ook het ziekenvervoer, dat eerst het ziekenhuis regelde, kwam onder de Quarantaine. Op genoemde datum kwamen de eerste afgekeurden in Oldenzaal uit Duitsland terug. Het waren de eersten van duizenden burgers uit de grote steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag, die bij razzia’s op transport naar Duitsland waren gesteld. Ook nu moest geholpen worden! Het Rode Kruis stond klaar, ook al was het opgeheven. Medisch hoofd van de dienst was Dr. Pelser, chirurg van het R.K. Ziekenhuis, terwijl de artsen dr. Visser en dr. de Bruyn zich eveneens beschikbaar stelden. De leiding had de Secretaris-penningmeester van het voormalige Rode Kruis. Bij de terugkeer van de eerste afgekeurden werden direct maatregelen genomen. De Secretaris-penningmeester was ziek en de eerste voorbereidingen werden getroffen door den heer Smudde. Door de grote medewerking van den heer Ankoné, werd een groot gedeelte van diens meubelfabriek aan de Ootmarsumsestraat veranderd tot een aardig verblijf voor de terugkerende Nederlanders. Er was een slaapzaal waar we ongeveer 160 mensen konden onderbrengen. De recreatie-eetzaal was een vierkant vertrek. Stoelen en tafels kregen we van enkele caféhouders. Later kregen we ook nog de beschikking over een ziekenzaal. Ook werd een keuken ingericht. In het begin hadden we totaal geen servies en keukengerei. We hebben ons daarmee steeds moeten behelpen. Toen de dienst eenmaal liep schonken verschillende caféhouders ook messen, vorken, lepels, kopjes en borden. Voor ontspanning van de terugkerenden was ook gezorgd. Men schonk ons dam- en schaakspellen, kaarten, boeken, tijdschriften en nog veel meer. Naast de keuken was de wasgelegenheid en buiten waren de toiletten ondergebracht. Verder hadden we nog de beschikking over het kantoor en de tekenkamer, welke laatste ingericht werd tot slaapkamer voor het personeel. Al met al mochten we met zulk een inrichting, de tijdsomstandigheden in aanmerking genomen, niet ontevreden zijn. Van de firma Gelderman kregen we de beschikking over het badhuis. Daar werden de terugkerenden gereinigd, ontsmet en gebaad. De Quarantaine en het badhuis lagen nogal ver van elkaar. Soms was dit lastig, maar aan de andere kant was dit minder gevaarlijk voor ons. Maar daarover straks meer. In het begin werd op het badhuis voor de ontsmetting van de kleding en bagage van de terugkerende Hollanders gebruik gemaakt van een luizenkast, welke door de Volksgezondheid ter beschikking was gesteld. Spoedig al bleek dat deze kast onvoldoende capaciteit bezat, bovendien konden we later de benodigde houtskool hiervoor niet meer krijgen en moesten we ons redden met turfcokes.  Daartoe werd met medewerking van de firma Gelderman, door haar technisch chef den heer Jansen, één der kamers op het badhuis geïsoleerd en met behulp van een grote kachel kon dit vertrek door toevoeging van electrisch aangevoerde lucht op de gewenste temperatuur gebracht worden. Tijdens de bouw van deze kast vloog het oude kastje in brand. Door het flinke optreden van den heer Versteeg, de badmeester en ons ontsmettingspersoneel werd de brand beperkt tot een binnenbrand en met water uit het badbasin kon deze spoedig geblust worden. Het prachtige gebouw is daardoor voor Oldenzaal gespaard gebleven. Nu hadden wij de beschikking over een dagverblijf en over een ontsmettingsinrichting. De terugkerende Hollanders konden we in Oldenzaal, het eerste stadje op vaderlandse bodem een goede verzorging geven en een voorlopig onderdak aanbieden, zodat zij konden zeggen:  Gelukkig, we zijn weer in Holland!

Het personeel.

Het personeel van de Quarantaine bestond uit een klein groepje personen. Onafgebroken hebben zij hun diensten en krachten aan de Quarantaine gegeven. De verschillende geloofsovertuigingen werden door allen geëerbiedigd. Dat was heel mooi! Het was dan ook geen wonder dat deze echt ongedwongen samenwerking een prettige sfeer schiep. We vertrouwden en steunden elkaar. We konden op elkaar aan. Allen hadden dit ene doel voor ogen: Op voor onze medemens!

Hoofd van de dienst was Dr. Pelser. Wanneer zijn drukke bezigheden hem op het ziekenhuis maar een ogenblik loslieten, verscheen hij op de Quarantaine om de patiënten te bezoeken. Het welzijn van de afgekeurden lag hem na aan het hart. Zijn gesprekken en woordenwisselingen met de S.D. en Berners van het Arbeidsbureau waren daar een duidelijke taal van. Dr. Visser en dr. de Bruyn verzorgden de patiënten zoveel als in hun vermogen lag. Bij de keuringen was steeds een van hen aanwezig en was het heel druk dan waren ze beiden present. Dr. Visser kwam na afloop van de dienst op het badhuis veelal een kijkje in de Quarantaine nemen en hielp dan de zusters nog een handje mee met het brood snijden. De secretaris van het Rode Kruis was de heer Heitkamp. Hij was een zakenman in hart en nieren. Dit bleek uit z’n gehele doen en laten. Hij besteedde grote aandacht aan het kasboek of aan het statistiekboekje. Men kon dan ook nooit op het kantoor komen of hij zat over een van beide boeken gebogen. Vooral het statistiekboekje had zijn bijzondere aandacht. Dat was een echt googelboekje. Daarin werd alles opgetekend: het aantal luis en scabiespatiënten, het aantal gewonden, het sterftecijfer, de in- en uitgaande personen en het bestelde eten. Een soort “staat-stand” boekje dus. Meestal zorgde hij er wel voor dat het aantal personen daarin opgetekend meer was, als er in werkelijkheid hier waren. Zodoende kreeg de Quarantaine meer rantsoenen van de distributiedienst toegewezen en konden we de afgekeurden en vluchtelingen meer voedsel verstrekken, als waar ze recht op hadden. Later vooral liet hij zien wat hij waard was. Hij ging voor geen Duitser uit de weg.  Dhr. Smudde was de organisator van de Quarantaine. Hij zorgde voor haver, rogge, bonnen, valse papieren, enz. Dat was zijn werk en daar voelde hij het meeste voor. Met de inwendige dienst bemoeide hij zich niet veel. Dat liep wel zonder hem. Als de Quarantaine wat nodig had, ging hij er op uit. Nooit kwam hij met lege handen terug. Hij was de lieveling van de zusters en kon altijd goed meedoen. Alleen wanneer het sneeuwballen gooien was, nam hij de benen. Dan was hij in geen velden of wegen te zien.

Mej. Sleyfer was de rechterhand van de heren Heitkamp en van der Jagt. Deze laatste was belast met de inwendige dienst van de Quarantaine. Mej. S. typte de lijsten voor de S.D. en de Distributiedienst. Als de heer H. afwezig was kon ook zij met het statistiekboekje aardig overweg. Dat was haar wel toevertrouwd. De S.D. en N.S.B. politie konden geen vat op haar krijgen. Zij nam die heren bij de neus, waar ze zelf bij stonden. Zij was altijd even opgewekt. Niets kon haar van de wijs brengen. Wanneer er op het badhuis gekeurd moest worden, ging zij met de typemachine onder haar arm naar het badhuis om de Quarantainebriefjes in orde te maken. Later kwam de heer T. Heitkamp ons nog op het kantoor helpen. Hij was zelf onderduiker. Door de grote drukte hielp hij ons heen. Door Berners van het Arbeidsbureau werd hij kort voor de bevrijding van ons kantoor gepikt en onder het stadhuis opgesloten. Door de komst van de Engelsen werd ook hij bevrijd. Van de Rode Kruishelpsters had zr. Hulsink de leiding. Het woordje “rust’ kende zij niet. Altijd was ze in de weer. Toen het ziekenzaaltje in gebruik werd genomen, was ze helemaal in haar element. De patiënten waren gek met haar. Verschillende malen zei de dokter haar dat ze rust moest nemen, maar daartoe was zij moeilijk te bewegen. Een paar maal hebben we haar naar huis moeten sturen, daar ze totaal op was. Zij trok zich het lot van de afgekeurden en van de patiënten soms te zeer aan. Dat kon men goed merken. Het was of zij dan een prop in de keel had. Zr. Besselink en zr. de Vrij deelden met haar lief en leed op de ziekenzaal. Zr. B. had zelf een huishouding. Dag en nacht was ze echter voor de Quarantaine in de weer. Ze bemoederde de patiënten als waren het haar eigen kinderen. Als ze een kwade bui had, konden haar ogen als ’t ware vonken schieten. Ze kreeg dan een vuurrode kleur en haar brilletje verschoof dan naar het puntje van d’r neus. Maakte dan maar dat je uit de voeten kwam. Er was geen land meer met haar te bezeilen. Zr. de Vrij was altijd dezelfde. Zowel in haar gedragingen als in haar uiterlijk. Een type om nooit te vergeten. Twee die altijd bij elkaar waren, zr. Bouman en zr. Spiele, zwaaiden de scepter in de keuken. De eerste hield in de keuken de teugels strak. Dat was maar goed ook. Orde moest er zijn. Als de keuken een goede beurt kreeg, bleef deze voor iedereen gesloten. Als zr. Spiele haar dienst bij dr. Visser er op had zitten, kwam zij ons nog een handje meehelpen. Zij was steeds bereid te helpen, waar hulp geboden moest worden. ’s Avonds laat zag je de beide zusters nog naar het badhuis gaan met brood en pap voor de afgekeurden, wanneer er weer een transport aangekomen was. De gezusters Reuver hielpen waar ze nodig waren. Dan zag je ze op de ziekenzaal. Dan weer ’s avonds bij de afgekeurden, wanneer deze verbonden moesten worden. Mej. ter Ellen werd later door den heer Ankoné aan de Quarantaine afgestaan. Zij was een manusje van alles. Als het op het kantoor druk was, hielp ze daar. In de keuken was het een echte zwoegster. ’s Morgens was ze de eerste en ’s avonds de laatste. Zr. Lansink was in haar element, wanneer het in de Quarantaine heel druk was. Hoe meer werk er te doen was, des te harder werkte ze. Op het badhuis, in de Quarantaine. Ze sjouwde heen en weer. Als er eten gehaald moest worden van de fabriek van Gelderman, nam ze een paar afgekeurden met zich mee en ging met een grote handwagen het eten  van de centrale keuken en van het ziekenhuis halen. Toen er sneeuw lag deed ze het met een ladder. Dat ging opperbest. Ze hield een gedichtenboek bij, waarin sommige afgekeurden een gedicht schreven. Zr. Rödel was de kleinste van het stel. Daarom werd ze ook wel “kleintje” genoemd. Later deed ze ook dienst op de ziekenzaal. Zingen kon ze als een nachtegaal. Menigmaal heeft ze voor de patiënten een nummertje ten gehore gebracht. Eenmaal is er op de ziekenzaal een knappe jongen gekomen, Toen heeft Amor zijn pijlen afgeschoten en kon zij niet meer aan zijn greep ontkomen. Nadat haar geliefde genezen ontslagen was, kon men ze samen door Oldenzaal zien lopen. We hebben ook uitstekende hulp gehad van Nelly Ras. Zij was van Rotterdam naar Oldenzaal gekomen. Haar broer was met de razzia in Rotterdam opgepikt en deze lag nu vlak over de grens, in Gildehaus, in een kamp. Zij wilde proberen hem over de grens te halen. Bij een ontvluchtingspoging werd haar broer gesnapt en werd hij in een straflager geplaatst. Dat was een tegenslag voor Nelly. Vanaf die tijd is ze bij ons gebleven. Zij hield het badhuis schoon. Tot vlak voor de bevrijding is ze bij ons gebleven.

Het weinige manlijk personeel heeft bergen werk verzet. De meesten van hen werkten op het badhuis. De heer Lansink Sr. zorgde voor het transport van zieken en gewonden. Ondanks zijn leeftijd was ook hij dag en nacht in de weer. ook wanneer er particulieren naar het ziekenhuis vervoerd moesten worden, knapte de heer Lansink Sr. dit op. Toen we de ziekenauto nog hadden ging ’t ziekenvervoer vlugger en gemakkelijker. Toen de wagen door de Duitsers in beslag genomen was, omdat de papieren van de auto het stempeltje van Piek niet hadden, ging het moeilijker. Na die tijd werd het ziekenvervoer per rijwielbrancard gedaan. Soms bij regen en wind, bij koude en vorst. Maar de heer Lansink Sr. was altijd present. Eenmaal moest er een patiënt vanuit een omliggend dorp naar het ziekenhuis in Oldenzaal gebracht worden. De heren Lansink Sr. en ter Laak vertrokken per brancard naar het hun opgegeven adres. Het was vinnig koud, het had knap gevroren en 10 km te lopen viel niet mee. Tenslotte komen ze bij een boerderij, waarvan de boer op doktersadvies naar het ziekenhuis gebracht moest worden. Ha! Hier zouden ze wel een kop koffie krijgen met een boterham met spek! Maar …. niets van dat al. In plaats daarvan vroeg de boer verwonderd of hij op dat gekke ding (de brancard) vervoerd moest worden. Bij het bevestigend antwoord dat hij kreeg, gaf hij bevel om de koets in te spannen. Op de brancard wilde hij niet vervoerd worden. Toen het paard voor het rijtuig was gespannen werd de boer er in gedragen. Toen de heer Lansink Sr. daarna vroeg of hij de brancard achter het rijtuig vast mocht maken en zij terug naar Oldenzaal mee mochten rijden, gaf de boer ten antwoord dat dit niet ging. Het paard kon dit niet hebben. Het rijtuig met den boer vertrok en de heren Lansink Sr. en ter Laak konden de weg weer terug gaan lopen. Hevig verontwaardigd vertelden ze ons bij terugkomst hun wederwaardigheden.

De heren Lansink Jr. en ter laak waren de ontsmetters op het badhuis. Later kregen ze nog de hulp van de heren Reuver, Essink, Hebels en Bröcking. Dag en nacht werd in ploegverband gewerkt. Wanneer het echter druk was werkten ze allen tegelijk. Dan waren ze een paar dagen achtereen in touw. Zij aten en sliepen op het badhuis. Zij behandelden de patiënten, ontsmetten de kleding en bagage. Dit alles bij elkaar was niet een van de beste baantjes. Vooral wanneer de kledingstukken uit de oven moesten gehaald worden. Gevaar voor vergiftiging was niet uitgesloten. De jongeheren Herman Gelderman, Anton Lansink en H. Besselink deden dienst in de Quarantaine. Zij zorgden voor het wasgoed, brachten patiënten naar het badhuis en terug naar de Quarantaine, haalden brood van de bakkers, melk van de melkfabriek en zij zorgden voor de kachels. Altijd stonden ze klaar. Nooit was hun iets te veel. Zij zaten vol streken en geneerden zich niet om een ieder voor de gek te houden. Men kon van hen alles verwachten. Ze hadden het zo goed in de Quarantaine dat ze veel al vergaten om naar huis te gaan. Zelden waren ze op tijd thuis. Op een keer waren Herman en Anton naar de melkfabriek gegaan. Ze moesten 40 liter melk halen. Ze namen de raderbrancard mee. Toen ze terug kwamen vertelden ze met een dood leuk gezicht dat ze de melkbus van de brancard hadden laten vallen. Nu hadden we geen melk, want die was weggevloeid. We waren natuurlijk ontzettend kwaad op die knapen, maar wat hielp het. Immers niets. De melk was weg en bleef weg. Ze zouden wel even andere melk halen. Ja, de melkfabriek zou ze aan zien komen! Wat we niet gedacht hadden, kregen zij wel voor elkaar. Ze kregen andere melk en de zusters konden weer pap koken. Later wilde Berners van het Arbeidsbureau hen voor de arbeidsinzet hebben voor Duitsland. Ze zijn toen een paar dagen verdwenen. Toen de kust weer veilig was, kwamen ze weer terug. Als Berners verscheen, maakten ze dat ze onvindbaar waren. Zo gauw als deze mof weer van het tapijt verdwenen was, kwamen ze weer uit hun schuilhoek tevoorschijn.

Op vaderlandse bodem.

Niet ver van het Hollandse grenskantoor verwijderd ligt het Duitse grenskantoor. Aan de overkant van dit kantoor staat een houten huisje. Daarin troont de Gestapo. Reeds van verre hoort men commanderende stemmen. Dat hoort er zo bij. Het herrenvolk weet niet beter of het hoort zo. Bij het Gestapohuisje staat een groepje mannen. Het zijn afgekeurde Hollanders. Vanuit het Lager te Lingen zijn ze door de Volkssturm naar de grens gebracht en zijn ze overgegeven aan de Gestapo. Alvorens de afgekeurden de grens over mogen, moeten eerst hun papieren gecontroleerd worden. Met veel gesnauw wordt hun duidelijk gemaakt dat ze nog in Duitsland zijn en dat, als ze de Gestapo antwoord moeten geven, zij een behoorlijke houding aan moeten nemen. De mannen zeggen niets terug. Zij hebben in het vijandelijke land leren zwijgen.  Het nazien van de papieren laat nog al even op zich wachten. Zo gauw is men bij de Gestapo niet klaar. En voor zij ze laten vertrekken tonen zij de afgekeurden dat “zij” de overwinnaars zijn, het “Herrenvolk”. De afgekeurden zijn de slaven. Eén van de Gestapo brengt zijn fiets naar buiten. “Sauber machen”, is het bevel. Een andere afgekeurde krijgt stoffer en blik in zijn handen geduwd en moet het Gestapohuisje aanvegen. Weer een ander moet de straat aanvegen. Ook moeten ze kolen scheppen voor de “heren”. Die “heren” zitten binnen bij de warme kachel. Maar de afgekeurden moeten nu al meer dan een uur, zonder voldoende kleding, buiten in de kou  wachten, totdat het de heren belieft ze te laten vertrekken. Wanneer de Gestapo niet meer weet wat voor “werk” er nog gedaan moet worden, moeten de afgekeurden zich één voor één naar binnen begeven om hun papieren weer in ontvangst te nemen, nadat deze afgestempeld zijn. Voor het laatst klink “fertig” en “loss” en zijn de afgekeurden vrije mannen. Zijn ze van het gehate juk bevrijd. Nog enkele meters moeten ze lopen en dan zijn ze in Holland. Af en toe kijken er een paar nog eens schichtig om. Zijn ze nu werkelijk vrij? Ja!, “kom maar hierheen mannen”, wordt geroepen. En dan komen ze bij de Hollandse douane. De één vlugger dan de ander. Hoe geheel anders worden ze hier ontvangen. De afgekeurden merken het al. Hier zijn ze in goede handen. Hier kunnen ze hun hart eens uitstorten, wat ze in geen maanden hebben gekund. Ze overstelpen de ambtenaren met vragen. Hoe is het in Holland? In Rotterdam, in Amsterdam? Is daar nog gebombardeerd? Hoe staat het daar met het eten? Langzamerhand komen de verhalen los. Wat ze meegemaakt hebben wordt zonder smuk verteld. Het zijn bijna allemaal Rotterdammers die bij de grote razzia in Rotterdam zijn opgepikt. Er is ook een Chinees bij. Hij zegt niets. Hij lacht maar. Straks is hij weer in Katendrecht, zijn tweede vaderland. Op een vraag, waarvoor de afgekeurden zijn afgekeurd, krijgen de ambtenaren heel wat te horen. De één is afgekeurd voor zijn maag. Hij was nog maar pas uit het Zuiderziekenhuis te Rotterdam ontslagen, alwaar hij een maagoperatie had ondergaan. Bij de razzia haalden de Duitsers ook hem op. Of hij zijn papieren al toonde, dat hij nog steeds onder doktersbehandeling was, het hielp hem niks. Eerst moest hij mee naar een verzamelplaats en dan zou hij na een paar uur wel weer vrijgelaten worden, en kon hij weer rustig naar huis gaan. Maar van dat rustig naar huis gaan is niets gekomen. Als een paria kwam hij in een Rijnaak terecht en na veel omzwervingen was hij nu weer in Holland. Hij voelt zich als een wrak. Een ander is afgekeurd voor zijn hart. Daar in Mofrica heeft hij een lelijke tik te pakken gekregen. Neen, dat heeft hem geen goed gedaan. Een paar anderen zijn afgekeurd daar zij tuberculose hadden. Je kunt het die mannen wel aanzien. Vel over been zijn ze. ’t Is ook wel te begrijpen. Geen voeding, geen kleding en geen verzorging hebben ze gehad. Een kantoorbediende vertelt, dat hij op een zekere morgen op het werk in elkaar zakte. Hij was het zware werk niet gewend. Zijn vrienden hebben hem naar de barak teruggebracht en twee dagen later kwam er eens een dokter naar hem kijken. Wie niet werkt, krijgt ook geen eten, was de stelregel van de Duitsers. Zo was het ook voor hem. Hij kreeg de helft van het rantsoen. Het middagmaal was niet veel. Altijd maar soep en nog eens soep. En wat voor soep? Koolsoep! Hij kon wel een gat in de lucht springen, toen de dokter hem afkeurde en hij de volgende dag naar huis mocht vertrekken. Een nog jonge kerel vertelt vol trots dat hij mazzel gehad heeft. Hij vertelt niet alles, maar de ambtenaren merken wel dat hij gesimuleerd heeft. Met veel bravoure laat  hij z’n afkeuringspapiertje zien. “Unfähig für Schanzarbeit” staat erop. Wie doet hem wat. Van de kommiezenvrouwen krijgen ze een stevige middagpot. Wat vetwerk is er ook nog in. In maanden hebben ze niet zo gesmuld. Wanneer ’s avonds een arbeidersbus uit Nordhorn komt, worden ze door de ambtenaren op de bus gezet. De chauffeurs zijn zo kwaad nog niet. Ze zullen bij de Quarantaine in Oldenzaal afgezet worden. Als ze daar maar eenmaal zijn dan worden ze wel verder geholpen. Wat valt hun dat mee! De Duitsers hadden hun verteld, dat ze zelf maar moesten zien thuis te komen. En nu worden ze al naar Oldenzaal gebracht! Naar Oldenzaal ……

In Oldenzaal.

Het viel voor de terugkerende Hollanders niet mee om de Quarantaine te vinden. Meestal werden ze door de inwoners van Oldenzaal naar de meubelfabriek van den heer A. verwezen. Van buitenaf kon men niet zien dat aan de Ootmarsumsestraat 47 een Quarantaine gevestigd was. Voor de ramen van het winkelpand hingen grote witte gordijnen. Het winkelpand was later ziekenzaal. naast het winkelpand was een groene poort en deze gaf toegang tot de meer achteraf gelegen Quarantaine. Later hebben we een groot bord laten maken met de woorden “Quarantaine Oldenzaal” er op geschilderd. Het bord is echter nooit aan de poort bevestigd. Waarom niet? Misschien wel, doordat we niet te zeer in het oog wilden lopen. Ook wel omdat de transporten steeds groter werden en rechtstreeks naar het badhuis gebracht werden, alvorens ze naar in de Quarantaine ondergebracht werden. Maar voor hen die op eigen gelegenheid de grens over kwamen en ook voor de vluchtelingen was de Quarantaine niet gemakkelijk te vinden.

Het badhuis van Gelderman

Op het badhuis is zojuist een transport aangekomen. Er wordt hard gewerkt. Een zestigtal afgekeurden moeten gereinigd worden. De heren Heitkamp, Smudde en mej. Sleyfer zijn inmiddels naar het badhuis gegaan om de pas aangekomenen te registreren. De artsen dr. Visser en dr. de Bruyn zijn ook reeds gewaarschuwd. In de Quarantaine worden nu ook maatregelen getroffen om de mensen zo aangenaam mogelijk te kunnen ontvangen. De zalen krijgen nog eens een extra beurt en de kachel wordt goed opgestookt. Zr. Bouman schrijft bonnen uit voor brood, melk en kaas. Zodra het brood bij verschillende bakkers is gehaald, zij allen in de keuken druk in de weer. Brood snijden en smeren. Op het kantoor gaat de deur open en een tiental personen vragen of ze bij het Rode Kruis zijn. Het blijkt dat het afgekeurden uit Duitsland zijn. Hun papieren zij in orde. Bij het grenskantoor Frensdorferhaar bij Denekamp zijn ze over de grens gezet. Op eigen gelegenheid zijn ze naar Oldenzaal gekomen. Al zijn de afkeuringspapieren soms vodjes, ze hebben voor de afgekeurden grote waarde. Als de heer Lansink Sr. ze naar het badhuis wil wegbrengen zijn ze bang dat ze hun papieren niet meekrijgen. Maar die angst is ongegrond, want weldra krijgen ze deze terug. Dan horen ze dat ze naar het badhuis zullen gaan. Dat vinden ze geweldig. “Nou, het is wel nodig, meneer. Krijgen we ook schoon ondergoed. Ik heb niks meer aan m’n lijf. Dat kunt U wel begrijpen. We hebben al vijf weken hetzelfde ondergoed an.Het is te vies om an te pakken. We zijn ook niet vrij van beestjes, geloof ik. Dat komt omdat het zo vuil was in het lager. Zeep hadden we niet.” “Nu, komen jullie dan maar gauw mee”, zegt de heer Lansink Sr. “Er zijn nog meer jongens op het badhuis. Als we nu opschieten kunnen jullie meteen behandeld worden.” “Krijgen we ook nog te bikke?” “Ja, dat komt allemaal straks terecht”, is het antwoord. “Nou vooruit met de geit, dan gaan we met maar”, roepen ze in ’t koor. Als ze op het badhuis aankomen is het daar al een gezellige drukte. De meesten staan reeds uitgekleed in de badhokjes. De één fluit en de ander zingt. De stemming is best. Het verplegend personeel gaat de hokjes langs en controleert de kleding op kleerluis. De meesten zijn hiermee behept. Schande is het niet, want ze kunnen er niets aan doen. Een enkele die een betere ligging in Duitsland gehad heeft en zich nog goed heeft kunnen wassen, is er vrij van. Scabies (schurft) komt ook nog al eens voor. De heer Heitkamp neemt de afkeuringspapieren en persoonsbewijzen in ontvangst en aan de hand daarvan worden door den heer Smudde en door mej. Sleyfer de Quarantainebriefjes getypt. Deze briefjes worden dan aan de betreffende personen uitgereikt. Ze krijgen hierop een aantekening, wanneer ze kleerluis hebben. Hierna komen ze voor den dokter. Deze staat vooraan, waar de douches zijn. Het is een geschikte keuringsplaats. Een soort platform, verlicht door heldere lampen. Als de dokter iemand goedgekeurd heeft, dat wil zeggen wanneer hij vrij van ongedierte is, krijgt hij een lik zeep uit een ton en een handdoek, en kan hij een douche nemen. Achteraan het badhuis is zuster Besselink de kleding nog aan het nakijken. Ze komt voor een hokje. Een jongen van omstreeks 18 jaar staat haar reeds op te wachten. “Zo jongeman”, zegt de zuster”, “heb je niets meegebracht?” Hij begrijpt haar niet. “Geef je hemd maar eens hier”, zegt ze, “dan zullen we eens zien.” Ze behoeft echter niet lang te kijken. “Kijk maar eens wat je meegebracht hebt, ’t krioelt.” “Wat is dat zuster?” “Dat is nu kleerluis”, zegt de zuster en onderwijl maakt ze een aantekening op het Quarantainebriefje. “Dat is sterk”, zegt de jongen, “ik dacht dat het vlooien waren”. Een ander zegt ronduit tegen het personeel dat men bij hem niet behoeft te kijken. Hij heeft ze wel. Nu is dat gemakkelijker en het bespaart voor het personeel veel werk. Maar anderen zijn bezig deze diertjes dood te maken. Zij schamen zich. Het is in hun leven nog nooit voorgekomen dat ze onder het ongedierte zitten. Het personeel heeft het echter gauw genoeg in de gaten. Het neemt geen risico. Ook zij krijgen een aantekening op het Quarantainebriefje. En ondertussen keuren de artsen. Eén voor één komen de afgekeurden voor den dokter. Zr. Spiele assisteert de dokter en noteert, wat de dokter haar zegt. Andere kwalen of ziekten worden eveneens genoteerd. Degenen die een douche mogen nemen, weten niet wat hen overkomt, nu ze na maanden het warme water over hun lichaam laten lopen. Het is heerlijk. Wat frissen ze daar van op. Als ze onder de douche vandaan komen, zijn het andere mensen geworden. Hun ogen stralen van blijheid. Er is maar één Holland! Het is bedroevend om te zien hoe sommige afgekeurden er lichamelijk slecht uitzien. Veel is het niet meer. Slechts vel over been. Het had voor zulke mensen niet langer moeten duren. Als de goedgekeurden weer aangekleed zijn, worden ze onder geleide naar de Quarantaine gebracht. Voor het personeel dat nu achter moet blijven, begint eerst nu het zware werk. In één van de hokjes zit een niet helder ogend jongmens. Hij heeft zich bevuild. Een ondragelijke lucht hangt in zijn nabijheid. De dokter zegt, dat deze jongen eerst maar een bad moet nemen. Erg snugger is hij niet, want hij wil meteen de heet-waterkraan opendraaien. Een verpleger helpt hem. Als hij onder de douche vandaan komt, blijkt dat hij in het geheel nog niet schoon is. Daar weet de verpleger wel raad op. Hij duwt de jongeman weer onder de douche en met een bezem wordt hij nu schoon gemaakt. Natuurlijk onder grote hilariteit van de aanwezigen. De kleerluispatiënten worden goed ingesmeerd met petroleum en na ongeveer 10 minuten nog eens, maar dan met zeep. Daarna mogen ook zij een bad nemen. Hun kleding wordt op knaapjes gedaan en in de ontluiskast gehangen. De kast wordt op een minimumtemperatuur van 85 graden gebracht en na ongeveer vier uur er weer uitgehaald. Het ongedierte is dan dood. Ondertussen maken de patiënten, die nu in dekens gehuld zijn, zich het zo aangenaam mogelijk. Ze hebben elkaar veel te vertellen. Onder het genot van een shagje worden vele verhalen opgedist. Degenen bij wie hoofdluis geconstateerd is, ondergaan een minder prettige gewaarwording. Hun haar wordt door kapper Evers afgeknipt. En zo kan men verschillende Ghandi’s onder de anderen zich zien bewegen. Prettig is het niet. Maar het is de harde noodzaak. Bij sommigen krioelt het van hoofdluis. Er is maar één afdoend middel: het haar er af. We willen geen risico lopen. Als de jongens naar huis gaan, moeten ze geen ongemak meer bij zich hebben. Achteraf zijn de mannen ons dankbaar. Ze willen zelf niet hebben dat ze ongereinigd bij vrouw en kinderen thuis zouden komen. Het haar groeit wel weer aan. De scabiespatiënten worden geheel in de zalf gezet. Het personeel wrijft de huid goed met scabicidol in. De patiënten moeten zelf ook een handje meehelpen. Het valt nog niet mee. ’t Is zwaar werk. Ze moeten een nacht in het badhuis overblijven. Dat is minder prettig. Gaarne waren ze met de anderen meegegaan naar de Quarantaine. Ook de kleren van deze patiënten gaan de kast in, als de kledingstukken van de kleerluispatiënten er uit gehaald worden. Als de deur van de kast opengaat, komt er een vuile walm de kast uit dringen. Het is voor ons personeel een ongezond baantje om het goed er uit te halen. Dit heeft de heer ter Laak ondervonden. Tot tweemaal toe is hij door het giftige gas bedwelmd geweest. Gelukkig heeft hij er geen hinder van ondervonden. Wanneer de kledingstukken uitgedeeld zijn, gaat een ieder zich aankleden. Eindelijk zijn ze hier klaar mee en gaan ze onder geleide weer naar de Quarantaine. Meestal gebeurt dit midden in de nacht, doordat de transporten vaak ’s avonds aankomen. Maar nu is dit echter niet het geval. De mannen kunnen nog in de Quarantaine een gezellige avond met elkaar doorbrengen. In de Quarantaine worden de kleerluispatiënten met luid hoera door de reeds aanwezige afgekeurden ontvangen.

De kachel brandt er lekker. ’t Is er heel behaaglijk. Ieder wil een plaatsje bij de kachel hebben. Ze hebben het allen koud, die pas binnen komen. De kleding die ze dragen, is niet veel meer. De anderen maken dan ook plaats, zodat de nieuw aangekomenen zich kunnen warmen. Ze zitten nog maar nauwelijks of één van de zusters kondigt aan, dat men aan de tafels moet gaan zitten. Het is tijd om te eten. De zuster behoeft dit geen twee maal te zeggen. De warme hap, die ze op het badhuis kregen, was af! Nu zoeken ze een plaatsje aan één van de lange tafels. Dan als allen zitten, verzoekt één van de zusters een ogenblik stilte voor een gebed. Daarna wordt het eten binnen gebracht. Ieder krijgt vijf sneetjes brood, twee plakjes kaas en een snee roggebrood. Ondertussen gaat de heer Lansink Sr. met de theepot rond. De mannen tasten dadelijk toe en dat het hun smaakt, is hun wel aan te zien. In Duitsland hebben ze het niet al te best gehad. Een enkele zit stil voor zich uit te staren. Wellicht gaan zijn gedachten naar zijn gezin, daar in Rotterdam. Hoe zouden zij het maken? Moeder en de kinderen? Er wordt pap binnen gebracht! Heerlijke havermouthpap. De melkfabriek heeft deze pap voor ons gekookt. Dat is voor de fabriek niet veel moeite en voor ons spaart het heel wat werk uit. Aan tafel zien we overal dankbare gezichten. Het is voor ons een voldoening, dat we deze mensen weer eens goed eten kunnen geven. De melkbus met pap gaat vanavond geheel op. Wanneer men met het eten klaar is, wordt weer een ogenblik stilte verzocht voor een gebed. De borden, kopjes, lepels en messen worden in de keuken gebracht. Nu gaat het personeel eten. Een zuster heeft de tafel in de keuken al in orde gemaakt. Het personeel zet zich aan tafel, en de zusters en verplegers laten zich het eten ook goed smaken. Dit is het fijnste ogenblik van de dag. Een half uurtje heeft het personeel nu ook eens rust. De afgekeurden in de zaal vermaken zich wel. De dam en schaakspelen komen voor de dag. Anderen gaan een kaartje leggen. De boeken worden van de plank genomen en men zoekt een stil plekje op om te gaan lezen. Zo wordt de avond doorgebracht. Wanneer de zusters met de afwas klaar zijn, mengen zij zich ongedwongen tussen de mannen. Hier en daar hoort men een gulle lach. Zuster Lansink heeft een boek aangelegd, waar ze gedichten in laat schrijven. Ze willen het allemaal wel. Maar niet iedereen is daartoe in staat. Maar één van de afgekeurden schrijft een aardig gedicht in haar boek: naar huis. Ook een Scheveninger voelt zich gedrongen iets te schrijven.

Een burgemeester uit Limburg vertolkt zijn gevoelens aldus: In woorden te uiten de wijze, waarop wij arme buitenlandvaarders op Hollandse bodem weergekeerd door het Oldenzaalse Rode Kruis werden onthaald, is moeilijk. Van een stel uitgeputte, havenloze kerels werden in een ommezien van tijd fitte, kloeke mannen van weleer gemaakt. Mijn bewondering voor verplegers als verpleegsters der instelling. Namens de landgenoten mijn oprechte dank. Niet het minst aan de moedige, onvermoeibare, beminnelijke, vlotte zustertjes van het Rode Kruis ter plaatse. Dat zij in de toekomst nog veel goed werk mogen verrichten, is mijn oprechte wens. Lang zullen zij leven!

Ondertussen is de buurman van de Quarantaine binnen gekomen. Hij heeft z’n trekharmonica meegebracht. Met gejuich wordt hij begroet. Allen scharen zich in een grote kring, en nu komt de stemming er eerst goed in. Het ene lied na het andere wordt uit volle borst meegezongen. Vooral de vaderlandse liederen – die ze nog niet verleerd hebben – worden goed meegezongen. Om half acht stapt de dominee binnen. Iedere avond komt bij toerbeurten de kapelaan van Leeuwen, Ds. Pot of Ds. Karsten de dagsluiting houden. Vanavond is het één van de beide dominees. De dominee stelt zich aan de mannen voor en zegt dat hij vanavond eens graag met ze wil praten. Dat gebeurde niet in Duitsland, dat er ’s avonds nog eens iemand kwam om te praten. ’t Wordt stil in de zaal. Alleen het Chineesje weet niet wat dit alles betekent en is nog in een druk gesprek gewikkeld met een rasgenoot. De andere mannen beduiden hun echter dat ze stil moeten zijn. Glimlachend knikken ze met hun hoofd. Dominee haalt een bijbeltje uit zijn zak en begint een gedeelte hieruit voor te lezen. Aan de hand hiervan spreekt hij nu een toepasselijk woord, nu de mannen weer behouden in hun vaderland zijn teruggekeerd. Hij heeft een aandachtig gehoor. Deze mensen hebben in geen maanden een geestelijk woord horen spreken. Aan het einde van zijn toespraak deelt dominee bijbeltjes en tractaatjes uit. Er zijn er te weinig, maar een volgend maal zal hij er meer meebrengen. Nu moet hij zich haasten om op tijd thuis te zijn. Dat is nu eenmaal een verordening van de Duitsers. Om acht uur binnen! Als de dominee weg is, komen de zusters de zaal binnen om te gaan verbinden. Er zijn er heel wat die verbonden moeten worden. Verschillende hebben hun voeten stuk. Dit kan ook niet anders, als we zien welk schoeisel ze aan hebben. Weer anderen moeten aan het hoofd verbonden worden. De één heeft dit en de ander heeft dat. Op het kantoor zijn ze ook nog druk bezig. De papieren moeten in orde gemaakt worden. De statistiek moet bijgehouden worden, enz. Morgen zullen de meesten weer vertrekken. Ze zullen op transport gesteld worden naar Holland!

Links achteraan het pand van Ankoné

Het is half tien. Bedtijd! De mensen worden nu naar de slaapzaal gestuurd. Zonder morren of mokken staan de mannen op. Ze verlangen wel naar bed. Ze hebben een vermoeiende dag achter de rug. Wanneer ze langs het magazijntje gaan, krijgt een ieder twee dekens. Hiervoor zijn ze zelf verantwoordelijk en moeten zij de dekens de andere morgen weer inleveren. We wensen ze een goedenacht en wijzen ieder een plaats aan. In lange rijen liggen de matrassen naast elkaar. Twee verdiepingen zijn er. Onder en boven kunnen ze slapen. Degenen die nog rap ter been zijn krijgen een plaatsje op de bovenste rij aangewezen. Twee afgekeurden blijven nog even achter om de eetzaal aan te vegen, stoelen op de plaats zetten, asbakjes schoon maken, papier opruimen, enz. Corveedienst dus. Dat is de huishoudelijke dienst van de Quarantaine. Om elf uur maakt de wacht een rondje. Alles is nu rustig. Men hoort niets anders dan het regelmatig ademhalen van de slapenden. Ze mogen tot de andere morgen half acht doorslapen. Dat is iets anders dan in Duitsland. Daar moesten ze voor dag en dauw met schop en houweel naar het werk. Ze zijn nu als het ware in een hotel terechtgekomen. De wacht zoekt nu ook zijn bed op. Er zijn geen ernstige patiënten, dus hoeft er niet gewaakt te worden. Hat slaapkamertje voor de wacht is naast het kantoor. Nauwelijks ligt hij in bed of het geloop begint. Velen van de afgekeurden hebben teveel gegeten en daar krijgen ze nu last van. Van tevoren waarschuwen we de mensen als ze aan tafel gaan: “De eerste keer niet teveel eten, want anders moet je er vannacht uit.” Maar die waarschuwing wordt altijd in de wind geslagen. Ze hebben vandaag gegeten als polderjongens. Maar nu is Leiden in last. De W.C.’s zijn buiten en om daar te komen moeten zij een gang door, langs het slaapkamertje van de wacht. De afstand van de slaapzaal naar de toiletten is nogal groot. Zodoende rennen de jongens, die het benauwd hebben, de gang door. Dan is het met de rust van de wacht gedaan. Een paar maal is het voorgekomen dat de toiletten niet meer op tijd gehaald konden worden. Dan deed men z’n behoefte juist buiten voor de deur van het slaapkamertje. Als de wacht er dan gauw bij was, kon hij den dader nog te pakken krijgen. Maar was dat niet het geval, dan was de vogel gevlogen. Dat iemand in zulke omstandigheden geen uitkomst meer zag, konden we best voorstellen. Maar dat men dan niet de moeite nam om de zaak weer schoon te maken, vonden we erger. ’s Morgens werd dan ook geen ontbijt verstrekt alvorens de dader de zaak opgeruimd had. Het slot van het liedjes was dat verschillenden bezem en emmer namen en aan het schrobben gingen.

De andere morgen om half acht worden de mannen wakker gemaakt. Verschillende zijn reeds uit de veren en hebben zelf de kachel aangemaakt. De zusters zijn aan het brood snijden. Het overige personeel houdt toezicht op de slaapzaal en in het magazijn bij het inleveren van de dekens en handdoeken. Sommigen slapen nog als een roos. Dan worden ze van hun matras afgetrokken. Maar alles gaat even gemoedelijk. In geen maanden hebben ze zo heerlijk geslapen. Nu zijn ze allemaal wakker en het is een leven van belang. Men fluit en men zingt weer. Men roep elkander toe. De één heeft dit, de ander dat. In de gang kunnen ze zich wassen. Half negen wordt het eten binnen gebracht. Na het ontbijt mogen ze nog even de stad in. Daarvan maken ze een dankbaar gebruik. De één gaat naar de kapper, de ander gaat de boer op. En menigeen komt dan ook weer de Quarantaine binnen met een brood onder de arm. De burgers en bakkers van Oldenzaal, alsmede de boeren uit de omgeving, zullen deze tijden niet licht vergeten. Zij hebben de afgekeurden heel veel gegeven. De broden nemen de mannen mee naar huis. In de steden, vooral in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag, wordt honger geleden. Zo’n vijfponds roggebroodje kunnen ze daar best gebruiken. Op het kantoor is het één en al drukte. Een nieuw transport is op het badhuis aangekomen. Zo gaat het steeds. Het ene transport is nog niet weg of het andere is al op het badhuis. Om elf uur vraagt een zuster of er onder de mannen iemand is, die met haar mee wil gaan om eten te halen van de centrale keuken. Liefhebbers genoeg. Wie wil er nu niet met een zuster mee! De zuster zoekt er een paar uit en dan gaan ze op weg. Ze nemen de grote handwagen mee van de fabriek. Een ander vervoermiddel bezitten ze niet. De handwagen loopt niet licht, en een flinke kerel heeft zijn handen vol om de wagen te hanteren. Als er sneeuw ligt doen de zusters het met de rijwielbrancard of met een ladder die ze over de sneeuw trekken. Na een uur zijn ze terug. De gamellen worden de keuken in gedragen en binnen weinige ogenblikken zit een ieder weer aan tafel. Nog eenmaal zullen de mannen hier eten. Het is hun galgenmaal. Onder het eten worden de papieren uitgereikt en een flinke kerel wordt als groepsleider aangewezen. Hij krijgt het visum voor de IJssellinie. Ze krijgen nog de goede raad mee om toch vooral bij elkaar te blijven, willen ze anders geen moeilijkheden van de Duitsers ondervinden. We wensen allen een goede en prettige reis toe. Dat ze hun familie in gezondheid weer mogen aantreffen.

Onder het eten is er één van de mannen met de pet rond gegaan. “Mannen, allemaal iets voor het Rode Kruis.” Een ieder geeft wat hij nog heeft. Ze willen hun dankbaarheid tonen. Verschillenden hebben geen cent meer op zak. Maar de anderen maken dat wel in orde. Ondertussen is ook een politieagent de zaal binnen gekomen die de mannen naar Hengelo zal begeleiden. De reis moet lopend volbracht worden. Vervoermiddelen zijn er niet. We zijn al blij wanneer we paard en wagen kunnen krijgen voor de allerslechtste lopers en bagage. Maar ze hebben de tijd. Om half vijf moeten ze pas in Hengelo zijn. Dus hebben ze ruimschoots de tijd. In Hengelo neemt het Passantenhuis de mannen weer over en de heren Rosingh en van der Scheer zorgen, dat het hele transport ’s avonds op de trein gezet wordt. Later hebben we de repatriërenden in Oldenzaal op de trein kunnen zetten. Naar Hengelo lopen was toen niet meer nodig.  De man met de pet is rond geweest en overhandigt de opbrengst aan één van de zusters. Ze zijn blij dat ze ons iets kunnen geven, al hadden ze ons veel meer willen schenken. Ze weten wel dat het Rode Kruis al dit werk voor niets doet. Maar dat kost geld, veel geld. En zij willen het hunne er toe bijdragen, dat het Rode Kruis dit moeilijke werk zal kunnen blijven voortzetten. Wij danken de mensen voor hun sympathieke geste. En nu is het ogenblik dan aangebroken dat afscheid genomen zal worden. De groepsleider wenst ons namens allen nog eens hartelijk te bedanken. “Voordat wij Oldenzaal en met Oldenzaal het Rode Kruis gaan verlaten, willen wij U allen hartelijk bedanken voor wat U voor ons gedaan hebt, nadat we weer in het vaderland terugkwamen. Het woord “vaderland” gevoelt men pas, als men uit het buitenland voor het eerst weer daarin terugkeert en daar kinderstemmen Hollandse woorden hoort spreken als men de grens passeert. Een ongekend gevoel, een trilling gaat door je heen en het is haast niet te beschrijven hoe men zich bevoelt. Men beseft dit het best aan eigen lijve. Men zou het wel willen uitschreeuwen, en dan na veel reizen en trekken ontmoet men weer mensen. Het woord mens zegt veel, mens te zijn in een tijd van nood zegt meer. Het is zelfs heel moeilijk. Ik hoop dat wij er allen mee geleerd hebben. Het lekkere warme bed deed ons goed. En dan die overgang naar gezelligheid en opgewektheid, naar die echt Hollandse sfeer. Dat maakt alles weer goed. Leve het Nederlandse Rode Kruis! Leve Oldenzaal! Het Rode Kruis heeft in deze jaren van bittere nood een werk gedaan, dat niet te belonen is. We hopen dat er na ons nog velen door U mogen geholpen worden. Nogmaals, wij danken U hartelijk!”

Een dankbaar applaus is het antwoord. Het afscheid nemen vordert nog enige tijd. En nu: naar buiten. Voor de Quarantaine worden ze opgesteld. Drie aan drie. Nog een drie maal hoera weerklinkt. De stoet zet zich in beweging. Nog een paar maal zwaaien en dan is het transport de hoek om. We gaan weer naar binnen. Ons werk wacht. Voor de zieken die achter moeten blijven, is het hard dat ze niet met de andere kunnen vertrekken. Een volgende keer komt hun beurt ook wel. Voorlopig zijn ze hier in goede handen. Ze kunnen wat opsterken, wat thuis misschien niet zo gemakkelijk zou gaan. De zusters gaan afwassen en de anderen gaan eten naar het badhuis brengen, waar het nieuwe transport met ongeduld hun komst zit af te wachten.

Het ziekenzaaltje.

10 December 1944. De Tommies zitten in de lucht. Boven Oldenzaal. Door het geraas van de vliegmachines klinkt het luchtalarm. Zo af en toe komt het luchtdoelgeschut in werking. Maar daaraan wagen de Tommies zich niet. Zij munten het vooral op de treinen. Enkele ogenblikken later zijn de vliegtuigen uit ons gezicht verdwenen. Maar dan horen we in de verte het afgaan van de boordmitrailleurs. Een trein beschoten? Op dat moment weten we het niet. Maar later weten we het wel. Onze transportcolonne moet uitrukken. Tussen Oldenzaal en Bentheim is een trein beschoten. Met die trein worden een dertigtal afgekeurde Hollanders naar Holland vervoerd. Eén ervan is door een mitrailleurkogel gedood. Hij heeft zijn vaderland niet weergezien. Vele anderen zijn gewond. Allen worden naar Oldenzaal gebracht. De gewonden komen in het Ziekenhuis terecht. Daar worden de scherven en kogels uit hun lichaamsdelen verwijderd. Daarna worden de minder ernstige gevallen naar de Quarantaine vervoerd. De zwaargewonden blijven op het Ziekenhuis achter. Een groot gedeelte van het Ziekenhuis is door de Duitsers in beslaggenomen. Dat gedeelte is ingericht als veldlazaret. Het overblijvende gedeelte heeft het R.K. Ziekenhuis mogen behouden. Veel plaats is er niet. Vandaar dat de lichtgewonden in de Quarantaine worden opgenomen. Maar de Quarantaine beschikt niet over een ziekenzaal. In allerijl worden noodkribben getimmerd en deze worden in de recreatiezaal gezet. Zodoende behelpen we ons. Het magazijntje naast de keuken wordt voor twee ernstig gewonden ingericht. Dit alles geeft extra werk. De zusters krijgen meer werk met de verpleging. ook moet er nu gewaakt worden. De moeilijkheden worden groter. De gewonden en zieken liggen in de recreatiezaal. Een achttal kribben staan netjes naast elkaar. Maar we hebben haast geen plaats meer voor de andere mensen. De transporten worden steeds groter. Het is ’s avonds voor de zusters haast geen doen om de mensen te verbinden, zo vol is de zaal. Maar als de nood het hoogst is, is de redding nabij! Meneer Ankoné staat ons zijn winkelpand af. Een paar dagen wordt hard gewerkt om hiervan een behoorlijke ziekenzaal van te maken. Zodra de timmerlui hun werk gedaan hebben, komen de zusters met emmers en dweilen en beginnen met de grote schoonmaak. Ook krijgen we de beschikking over een twaalf tal bedden. Deze worden geleend of zijn ons geschonken. Na een paar dagen is het zaaltje geheel kant en klaar. Firma Holtel zorgt voor katoenen gordijnen. Voor de grote winkelramen geeft dit een aardig effect. ook het linnengoed wordt door deze firma gemaakt. Eindelijk zijn we zover dat een begin gemaakt kan worden met het overbrengen van de zieken. Eén voor één worden ze overgebracht. En elke zieke wordt met gejuich in het zaaltje ontvangen. Hier zullen de zieken een goede verzorging krijgen en zullen ze wel op rust komen. De dokter kan zijn gehele aandacht nu aan de zieken besteden. Maar de moeilijkheden worden groter. Hoe komen we aan personeel? We onttrekken personeel uit de keuken en de eetzaal. Zr. Hulsink krijgt de leiding over de ziekenzaal. Met zuster Besselink en zr. Vrij moet zij het voorlopig maar doen. Later komt ook de heer Essink helpen, en krijgen we ook nog de hulp van de dames Reuver en ter Ellen. Vanaf die tijd is ons personeel nu dag en nacht in de weer. Het eten voor de zieken wordt ook beter. We krijgen voortaan het eten van het ziekenhuis. De zusters moeten het zelf halen. Dus al weer meer werk. In de keuken krijgen ze het met de ingebruikneming van het ziekenzaaltje nu ook drukker. Wanneer iemand maar een ogenblik vrij is, springt hij bij waar het druk is. De dokters komen geregeld de patiënten bezoeken en wanneer zij een patiënt niet vertrouwen, wordt deze naar het ziekenhuis gebracht om doorgelicht te worden. Is net inderdaad hard nodig voor zulke patiënten om in een sanatorium opgenomen te worden, dan zorgt dokter Ruitinga ervoor dat zij worden opgenomen in het noodsanatorium te Hasselo.

Met de ingebruikname van het ziekenzaaltje is veel narigheid en leed in de Quarantaine gekomen. Vijf patiënten hebben we helaas niet in het leven kunnen houden. Al het mogelijke is gedaan, maar niets mocht meer baten. Ze hebben te veel in Duistland moeten lijden. Vijf maal hebben wij de gang naar ket kerkhof moeten maken. Daar rusten deze vijf ver van hun familie verwijderd. De familie hebben we nooit tijdig kunnen berichten omtrent de ernstige toestand van hun zoon, man of vader. Om een voorbeeld te noemen: Op het badhuis is een transport aangekomen. Onder de afgekeurden is er één die er heel slecht aan toe is. Totaal verzwakt is hij. Nadat de dokter hem gekeurd heeft, zakt hij in elkaar. Door de heer Lansink Sr. wordt hij nu naar de Quarantaine gebracht. Drie dagen wordt hij verpleegd. Bij kennis is hij niet. Dan is het voorbij, en moeten wij ook hem in Oldenzaal begraven. Op dezelfde dag dat deze patiënt overleed, komt tegen de avond een vluchteling uit Duitsland op ons kantoor. Hij vraagt of wij hem kunnen helpen aan papieren. Zijn vrouw, die reeds enkele dagen in de grensstreek vertoeft en hem nu ook verder naar huis wil brengen, heeft hem bij ons gebracht. Beiden wachten in spanning op ons antwoord. En dan redden we ook deze mensen uit de nood. Op de afkeuringspapieren van den pas overledenen worden beiden bij het eerst vertrekkende  transport gevoegd. Het persoonsbewijs van den vluchteling nemen we in. We willen geen risico lopen. Hij moet nu maar verder op de naam leven van den overledenen. Dolgraag nemen man en vrouw ons voorstel aan. Als tegenprestatie nemen zij voor ons mee een condoleantiebrief en de bagage voor de echtgenote van de gestorvene.

Op een avond komt er een telefoontje van het station, dat met de trein uit Bentheim een ernstige zieke in Oldenzaal aankomt. We moeten met de brancard deze zieke ophalen. Het is bar koud en er ligt een ferm pak sneeuw. Twee onzer gaan tegen elf uur met de raderbrancard naar het station. Onderweg worden ze nog door een Duitse patrouille aangehouden maar als zij zien dat het personeel van de Quarantaine is, kunnen ze doorgaan. Ze zijn nog te vroeg aan het station. De trein is er nog niet. Dan maar even wachten in de wachtkamer. Daar zijn veel soldaten en de kachel staat gloeiend heet. Al gauw komt ons personeel te weten dat deze soldaten naar het front bij Arnhem gaan. Enkele Duitsers zitten te eten. Het water stroomt onze jongens haast uit de mond. Want zoals die Duitsers zich tegoed doen – dunne sneetjes brood met dikke boter en dikke plakken worst erop – hebben zij ’t in geen jaren meer gehad. Na een poosje horen onze mensen de trein binnenkomen. In allerhaast maken zij de brancard in orde. Maar dat kost veel moeite daar die soldaten voor ons nauwelijks plaats willen maken. Eén onzer gaat het perron op en als de trein tot stilstand is gekomen, geven twee soldaten hem een strompelende jongeman over. Met veel moeite bereiken zij de wachtkamer en met nog veel meer moeite krijgen zij hem op de brancard. Als een Duitse officier vraagt wat deze man scheelt, antwoorden onze mannen: diphteritis. Binnen enkele seconden zijn de meeste Duitsers uit de wachtkamer verdwenen. Zo nu heeft ons personeel de ruimte en kunnen zij verder werken. Al gauw krijgt ons personeel van de zieke te horen dat hij uit Dresden komt en zwaar aan dysenterie lijdt. Een paar dagen achtereen heeft hij in een hoekje van een coupé gezeten, zonder eten en drinken. Hij was blij dat hij uit Dresden was weggekomen, want kort daarop was Dresden door de Russen zwaar gebombardeerd. Zo aanvaarden ze de terugtocht naar de Quarantaine. De nachtzuster heeft al een bed in orde gemaakt. De andere dag geeft de dokter weinig hoop meer. Direct worden de ouders, die in Leiden wonen, gewaarschuwd. Maar voor dat deze zijn gekomen, is de zieke na een week reeds gestorven. Enkele dagen na de begrafenis komen de vader en een zuster van den jongeman in de Quarantaine aan. Te laat echter. Op fietsen met  massieve banden zijn ze naar Oldenzaal gereden. Zijn zoon en haar broeder is reeds begraven. Het is een harde slag voor hen. Ds. Karsten tracht zo veel mogelijk deze mensen te troosten. Enkele dagen blijven ze nog bij ons om weer een beetje op krachten te komen en dan vertrekken ze weer naar Leiden. Wat een slag voor de moeder, die in spanning hun komst zit af te wachten.

Dr. Ruitinga, de internist van het ziekenhuis, komt zo af en toe op de ziekenzaal. Als hij het nodig oordeelt dat er patiënten doorgelicht moeten worden, gaan ze naar het ziekenhuis. Daar worden de patiënten grondig onderzocht. De ergste patiënten worden met spoed naar het noodsanatorium in Hasselo gevoerd. Het vervoer baart ons de meeste zorg. Verschillende malen gebeurt dit met een fiets of met een carrier. Enkele tientallen patiënten hebben we daar een goede verzorging kunnen geven. De mensen hebben het best naar hun zin op de ziekenzaal. Zo goed dat ze niet meer weg willen, wanneer ze genezen ontslagen worden. Als er geen ernstige patiënten zijn, gaat het er soms vrolijk aan toe. Men zingt en fluit naar hartelust. Bij beurten nemen ze elkaar ertussen. De zusters hebben het soms hard te verduren, maar ze kunnen tegen een stootje! En als het soms te erg mocht worden, weten ze ook handelend op te treden. Verschillende patiënten zijn tot ’t laatst gebleven. Daar hebben we dan allereerst van Dam. Hij heeft de treinbeschietingen meegemaakt en is aan zijn voet gewond. Een paar tenen eraf! Hij is één van de ouderen en treed voor de jongeren zo’n beetje als vader op. Dan Haeck, deze heeft schotwonden in boven- en onderbeen opgelopen. Verder moet hij flink aansterken, want hij is ondervoed. Heel wat extra porties pap heeft hij van de zusters weten af te dwingen. Hij wil steeds naar huis. Eenmaal gaat er een auto naar Rotterdam en hij wordt ook in de bus gezet. Maar de auto wil niet en er is ook geen beweging in te krijgen. Zodoende gaat de reis niet door, tot grote teleurstelling van Haeck. Later wordt de IJssellinie voorgoed gesloten en kan hij in ’t geheel niet meer weg. De daarop volgende dagen is Haeck in mineurstemming. De Ruiter ligt in het hoekje bij het raam en heeft zodoende een mooi uitzicht op de straat. Hij heeft veel pijn. Met houthakken in Duitsland heeft hij zich enkele vingers afgehakt. In Duitsland hebben ze zijn hand verprutst en daarna hebben ze hem maar afgekeurd. Als hij met zijn hand in het sodawater moet, weet hij zich soms geen raad. Maar als dokter Pelser komt om de botjes eruit te halen, heeft hij nog veel meer pijn. ’s Nachts kan hij nooit veel slapen en dan troost de zuster hem met een sigaretje. ook de kapelaan brengt hem af en toe een beetje shag.

Dan hebben we nog Willem I, Willem II en Willem III. Daar ze alle drie Willem heten noemen we ze Willem I, Willem II en Willem III. Willem I is een kalme jongen en is overal tevreden mee. Hij geeft veel last van zijn maag en moet steeds overgeven. Willem II is evenals Gerard nauwelijks zeventien jaar. Het zijn nog maar jongens en beiden zijn de lievelingen van de zusters. Zuster B. bemoedert ze als zijn het haar eigen kinderen. Het zijn echte kwajongens en ze zitten vol met streken. Op een keer staat voor Gerard zijn bed zijn moeder, Daar weet zuster Hulsink meer van. Maar Gerard weet niet hoe hij het heeft, maar weldra ligt hij aan de hals van zijn moeder. Een week lang is zij bij hem geweest. Dat was feest voor Gerard. Later komen ook nog de vrouw en kinderen van van Dam op bezoek. En die zijn hier maar gebleven. Het is in Oldenzaal beter als in Rotterdam. Willem II doet niets dan dichten. Dan maakt hij een versje op deze, dan op gene. Ook z’n eigen lotgevallen heeft hij weergegeven. Hij doet het aldus:

Willem III is een hartpatiënt. Als zo danig hebben de Duitsers hem ook afgekeurd. On ons zaaltje wordt hij liefderijk opgenomen. De zusters zijn gek met hem. Ouders heeft hij niet meer. Het is een wees en hij studeert voor priester. Op zijn nachtkastje staat zijn portret. Hele verhalen dist hij op, wat hij in Duitsland meegemaakt heeft. Hoe verschillende jongens door de Duitsers behandeld zijn. Als hij zoiets vertelt vat hij vuur en vlam en uit zijn woorden spreekt haat, bittere haat. Maar daarop zegt hij weer, dat hij zoiets niet mag vertellen. In Duitsland heeft zijn hart inderdaad een flinke tik gekregen. Als hij een aanval krijgt is er weinig met hem te beginnen. Met vier man hebben we de grootste moeite om Willem in bedwang te houden. Dan spreekt hij wartaal. Hij gilt en schreeuwt dan alles bij elkaar. Hij wil maar steeds spuitjes hebben. In Duitsland heeft hij echter te veel spuitjes gehad. Zodra is de aanval voorbij of Willem is weer rustig. Dan moeten we allemaal bij zijn bed komen. En biedt hij zijn excuus aan voor de “last” die hij ons heeft aangedaan. We moeten dan maar een sigaretje opsteken – die hij niet meer heeft – en de zusters mogen alles kopen, want de kapelaan heeft nog 150 gulden voor hem in bewaring! Soms heeft hij zulk een aanval, dat we bang zijn dat hij het niet meer zal halen. Maar ook zulk een aanval komt Willem weer te boven. Eens op een middag komt zuster Hulsink geheel ontdaan het kantoor binnen vliegen. Ze kan het niet langer meer volhouden. Zo gaat het niet langer. Wat is er gebeurd? Willem heeft weer een aanval en hij is zo wild, dat het ledikant het heeft begeven en Willem en de zuster met bed en al op de grond liggen. De andere patiënten zijn te hulp gekomen om Willem in bedwang te houden. De zuster is helemaal overstuur. We zetten haar in een stoel bij de haard en met een paar zusters gaan we naar de ziekenzaal. Daar op de grond ligt Willem. Het bed is finaal in elkaar getrapt. Gelukkig is de aanval al wat minder. Spoedig is de aanval voorbij en Willem heeft de grootste pret. De schade zal hij wel betalen. We weten niet of we nu lachen of huilen moeten. Enkele zusters lachen door hun tranen heen. Willem belooft zoiets nooit meer te doen. We moeten allemaal een sigaretje van hem opsteken, maar tot zijn grote spijt heeft hij geen tabak meer. Als later dokter de Bruyn komt, moet hij lachen om het om het in elkaar getrapte bed. Als later het ziekenzaaltje overgeplaatst wordt naar het noodziekenhuis, vraagt dokter zijn ledikant terug, dat hij aan de ziekenzaal in bruikleen heeft afgestaan. Dan vertellen we hem dat Willem III door zijn bed gezakt is. “Sakkerloot”, zegt de dokter. “Was dat mijn bed. Dat hadden jullie me ook wel eens kunnen vertellen”. Het bed was stuk en het bed bleef stuk. De timmerman kan het niet meer maken. Willem III ligt nog een paar dagen op de grond eer we een ander bed voor hem hebben opgescharreld. Zr. Hulsink is overspannen. Ze wordt door den dokter een paar dagen naar huis gestuurd. Maar thuis kan ze het niet uithouden en nog geen dag later is ze al weer terug. Met Willem III wordt het iets beter. Zo af en toe loopt hij en maakt dan een wandeling door de Quarantaine. Hij voelt zich als kind in huis.

Het ziekenzaaltje wordt te klein. We krijgen meer patiënten. Mede ook door de verschillende soorten kwalen is het noodzakelijk dat er een  ander gebouw beschikbaar komt. Vanaf dat ogenblik begint de strijd met de S.D. Dr. Pelser komt steeds op voor een betere inrichting, waar onze jongens verzorgd kunnen worden. Na zeer veel moeite worden tenslotte de Duitsers overtuigd en krijgen we de beschikking over een bewaarschool (aan de Zuidwal), die ingericht zal worden als noodziekenhuis. De verzorging zal geheel door het Ziekenhuis worden overgenomen. De heer Smudde weet in Almelo stalen bedden op de kop te tikken. Het is nu nog maar een kwestie van enkele weken en we kunnen dan ons te klein geworden ziekenzaaltje overbrengen. De patiënten voelen er bitter weinig voor. Ze willen niet weg. De één wil hebben dat de zusters meegaan. Zoals ze het hier gehad hebben, krijgen ze het nergens. De zieken, die aan de beterende hand zijn, willen in de Quarantaine blijven en wel in het dagverblijf slapen. Weer andere willen bij burgers onderdak zoeken. Maar dan wordt ineens de knoop doorgehakt. De IJssellinie wordt na de moord op Rauter hermetisch gesloten. De afgekeurden moeten weer gekeurd worden door de Duitsers. En dan wordt het beeld van de Quarantaine in één klap grondig gewijzigd. Degene die weer goed gekeurd wordt, moet op het vliegveld werken of elders. Die dan weer afgekeurd worden, zullen bij de boeren ondergebracht worden. We nemen geen risico. Zoveel mogelijk wordt de zaak gesaboteerd. Enkele worden bij de boer ondergebracht. Haeck komt voorlopig bij den dominee in huis. Van Dam huurt een kamer, waar hij met vrouw en kinderen z’n intrek neemt. Ook Gerard en Willem II worden bij de boer ondergebracht, en wel bij de familie olde Loohuis. De ernstige patiënten gaan naar het noodziekenhuis. Willem III wordt door slager Hulsink in huis opgenomen. Zodoende worden de meeste patiënten, waar we zoveel mee te doen gehad hebben, uit de greep van de Duitsers gehouden. Maar eerst heeft de Heer Ankoné nog een afscheidsfeestje gegeven. Het zaaltje heeft een enigszins feestelijk aanzien gekregen. De patiënten liggen er in schone kleding keurig bij. De patiënten hebben liedjes geschreven, gedichtjes gemaakt. Er worden vrolijke plaatjes gespeeld op een pick-up. Iedereen is in feeststemming ondanks het naderde afscheid. Allereerst krijgen de patiënten een diner. Ze smullen dat het een lieve lust is om aan te zien. Ondertussen is het avond geworden. De kapelaan is ook gekomen. Iedereen wil het feestje bijwonen. Er worden voordrachten en samenspraken gedaan. Zuster Rödel zingt enkele liedjes en ze oogst een dankbaar applaus. Een koortje waarin ook Annie, het Russinnetje, in meezingt, brengt enkele Russische liedjes ten gehore. Het hoogtepunt is wel als de patiënten den heer Ankoné een prachtig schilderij aanbieden, voor het vele goede dat hij steeds voor de patiënten heeft gedaan. Het feestje duurt tot laat in de avond. Een ieder is voldaan. Het is een waardig slot.

Enkele dagen later is het met het ziekenzaaltje gedaan. De ernstige patiënten liggen nu in het noodziekenhuis. Maar ook daar hebben ze het goed. Onze zusters vinden het heel jammer, dat het ziekenzaaltje nu weg is. Lief en leed hebben ze met de patiënten gedeeld. Aan de andere kant krijgen ze nu ook weer meer rust. De Quarantaine zelf heeft nu weer de hulp van de zusters van de ziekenzaal gekregen. En dat we die hulp nodig hebben, zal spoedig blijken. Steeds groter wordt het aantal afgekeurden. Steeds groter wordt het aantal vluchtelingen. De geallieerden komen steeds dichterbij. De Duitsers hebben geen tijd meer om orde op zaken te stellen. Veelal komen de jongens de grens over zonder zelfs papieren mee te krijgen. Dat wordt voor ons moeilijker om het de S.D. aan het verstand te brengen, dat men ze in Duitsland geen papieren meer meegeeft. De administratie aan de overkant is hopeloos in de war. Steeds hebben we nu meningsverschillen met de S.D. Op groslijsten komen nu de afgekeurden de grens over. Maar niet alleen afgekeurden, maar ook Hollanders waar ze in Duitsland geen raad meer mee weten. Zodoende wordt het voor de vluchtelingen makkelijker gemaakt. Maar daarover straks meer. We zullen nog enkele moeilijke dagen krijgen!

Moeilijke patiënten.

Onder de terugkerenden uit Duitsland hebben we een paar mannen gehad, die ons veel zorgen hebben gegeven. Er was weer een transport aangekomen. Onder dit transport was iemand, die totaal zijn geheugen was kwijtgeraakt. Hij had zeker een bombardement in Duitsland meegemaakt. Bovendien was hij zwakzinnig. Het was in alle opzichten een stumperd. Door zijn afkeuringspapiertje wisten we hoe hij heette. Voor de rest wisten we niets. Waar moest hij naar toe? Waar woonde hij? Bij het transport waren echter een paar Rotterdammers, die met hem meegereisd waren en zij verklaarden ons, dat zij wisten waar deze ongelukkige man woonde. Hij woonde namelijk ook in Rotterdam. Ze boden ons aan hem thuis te brengen, van welk aanbod we een dankbaar gebruik namen. De volgende dag vertrok het transport weer en de Rotterdammers namen de ongelukkige met zich mede. Ze zouden goed op hem passen en hem thuis brengen. Een paar weken later kregen wij een brief uit Drenthe. Het bleek een brief van zijn broer te zijn. Deze verzocht ons hem mede te delen of in Oldenzaal zijn broer soms aangekomen was. Bij toeval had hij vernomen, dat zijn broer in Duitsland was afgekeurd en naar Holland zou vertrekken. Nu had hij bij verschillende grensstations al geïnformeerd, echter nog zonder resultaat. En daar zijn broer zwakzinnig was, was hij zeer bezorgd over hem. Daar zaten we nu. We hebben direct weer terug geschreven. Een paar dagen later was de broer op de fiets uit Drenthe naar Oldenzaal gekomen. Bij nadere uitduiding bleek inderdaad dat de ongelukkige in Drenthe thuis hoorde. We hebben direct de politie in Rotterdam op de hoogte gesteld. De broer is later zelf naar Rotterdam gereisd om de zaak te onderzoeken, daar hij van politiezijde geen voortgang in deze zaak zag te bespeuren. Hoe dit geval is afgelopen, weten we nu nog niet. Daar we zowel van de politie als van de broer, geen nader bericht meer hebben ontvangen.

Dan hebben we een zekere mijnheer Maas gehad. Die had ze ook niet alle zeven bij elkaar. Hij had al lang in Duitsland vertoefd. Hij was kunstschilder van beroep. Zijn vrouw was ook bij hem in Duitsland. Door een bombardement was hij danig van streek. Zijn geestestoestand ging in die mate achteruit dat hij tenslotte werd afgekeurd. Zodoende kwam hij weer terug in Holland. Zij vrouw had hij achtergelaten. Wat er met haar gebeurd was en waar ze nu woonde, kon hij niet verklaren. Op alles wat we vroegen gaf hij steeds ten antwoord: “Dat weet ik niet”. Hij had een zuster in Amsterdam wonen en daar wilde hij nu naartoe. Hij werd in de Quarantaine ziek en mocht nog niet vertrekken. Een paar weken is hij toen nog gebleven. Gevaarlijk was hij niet, maar hij kon soms rare dingen doen. Hij sliep altijd met zijn hoed op. Wanneer we ’s nachts een rondje maakten, gebeurde het veelal dat mijnheer Maas geheel aangekleed in bed lag, met zijn benen buiten boord. Soms lag hij geheel in het gangpad. Dan sjorden we hem maar weer op zijn krib. ’s Morgens vroeg kon je hem in zijn hemd de straat op zien gaan. Dan ging hij een paar straten verder naar de kapper, en dan kwam hij onverrichterzake weer terug, daar de kapper niet open was. Maar als hij het eten dan op had, ging hij het nog eens proberen. De eerste keer dat de kapper hem op bezoek kreeg, keek de kapper raar op zijn neus. Want toen is Maas weggelopen zonder te betalen. Later heeft mijnheer Maas verschillende keren van ons een kwartje gehad om zich te laten scheren. Op het laatst vond hij dit heel gewoon en vroeg er dan zelf om. Op de dag van vertrek was Maas zijn papieren kwijt geraakt. Dat gaf een consternatie. Al zijn koffers hebben we doorgezocht. Maar de portefeuille waar het afkeuringspapier moest inzitten, was en bleef zoek. We vermoedden dat hij deze had weggegooid. Maar de portefeuille kon ook gestolen zijn. Alle nasporingen bleken vruchteloos te zijn. We hebben toen zelf maar een papiertje voor hem klaargemaakt. Een Amsterdammer zou hem medenemen. In Hengelo bij het overstappen in een andere trein, is Maas er vandoor gegaan. Toen de trein met veel geraas het station kwam binnen rijden, is Maas van de treinlichten vreselijk geschrokken en is weggekropen. Met gevolg dat zijn begeleider alleen de reis verder vervolgde. Later werd Maas op het station gevonden en werd hij door de politie weer naar Oldenzaal gebracht. Een paar dagen later hebben we het weer met hem geprobeerd en toen is het goed gegaan!

Met een ander transport was Leendert meegekomen. Een flinke kerel van omstreeks 34 jaar. Hij was ongetrouwd. Had vroeger voor onderwijzer gestudeerd, maar doordat hij niet normaal was, is dat niet doorgegaan. Nu was hij als timmerman bij een razzia in de Noord Oostpolder naar Duitsland gevoerd. In Duitsland, in het Lager, had hij veel slaags gehad. Maar ze konden hem niet klein krijgen. Hij nam geen blad voor zijn mond, zelfs voor den Führer niet. Tenslotte werd ook hij afgekeurd en op transport naar Holland gesteld. Direct op het badhuis was het al begonnen. Hij wilde niet voor den dokter. Met veel moeite is het onze jongens tenslotte gelukt hem zover te krijgen. Toen hij onder de douche stond, zong hij het hoogste lied uit. Van alles zong hij. Engelse, Franse en Duitse liedjes! Straatdeuntjes. Dan weer citeerde hij hele gedichten. In de Quarantaine hebben we veel met hem beleefd. Het stond hem niets aan dat hij nu in het Lager van het Rode Kruis gekomen was. Iedereen werd over de hekel gehaald. Niets deugde er. Hij zou wel eens even orde op zaken stellen. De “Lagerführer” deugde niet. Als hij maar eens Lagerführer was! En dan die regels van het huis. Poeh! De zusters deugden nergens voor. Wat deden die eigenlijk in dit huis? Een mooie boel was het hier! Hij had een paar ogen in zijn hoofd, die dwars door iemand heen keken. Tegen iedereen had hij wat. De één was een satansdienaar, de ander een landverrader. Eén van onze verplegers noemde hij een beste kerel, maar hij had zich nooit in dienst van het Rode Kruis moeten stellen. Op een andere keer kon hij rustig met je praten. Dan was hij heel verstandig. Hij kon heel goed schaken en dat deed hij dan ook het liefst. Hij zette zijn tegenstanders allen schaakmat. Zijn geheugen was prima. Wanneer het niet stil genoeg naar zijn zin was, begon hij opnieuw te spelen. De stukken werden weer opnieuw opgezet en hij deed dan voor zijn tegenstanders de zetten tot aan de stand waar ze opgehouden waren. Onder het eten was hij vaak voor de anderen hinderlijk en meerdere malen hebben we hem dan ook met zijn bordje met eten buiten de deur moeten zetten. Op de duur wordt hij lastig, vooral ’s avonds bij het naar bed gaan. Niemand kon dan een oog dicht doen. Tenslotte hebben we hem op zolder in een magazijntje opgesloten. Maar ’s nachts maakte hij zulk een kabaal, dat we hem er maar weer uitlieten. In dat kamertje raakte hij zijn persoonsbewijs kwijt, wat we  op dat moment niet wisten. De andere morgen viel hij de zusters lastig en voegde hen minder kieselijke woorden toe. Zo kon het niet langer en met de politie werd besloten, dat hij voortaan op het politiebureau zou slapen. Dat werd me de volgende avond een spul. De andere avond hebben we hem zijn jas aangedaan, z’n alpinomuts opgezet en hem op het kantoor doen plaatsnemen. Toen kwam de politie en één van de agenten begroette hij joviaal met: “Ha, ome Willem”. Maar hoe ome Willem zijn best deed te beweren dat hij ome Willem niet was, de agent was een bleef ome Willem. Maar de agenten konden hem niet meekrijgen. Eerst moest hij zijn persoonsbewijs terug hebben. De agenten waren trouwens niet bevoegd om hem mee te nemen. Ze waren maar surrogaat agenten. Daar wilde hij niets mee te maken hebben. Ze moesten eerst hun persoonsbewijs maar eens laten zien of ze werkelijk wel agenten waren. Nu dat mocht hij wel. Toen zij hun persoonsbewijs lieten zien, verklaarde hij dat deze vals waren. Maar met hen meegaan …. dat deed hij nooit. Nooit ging hij weer terug naar Duitsland. Tenslotte begon het de politie te vervelen en namen ze hem onder de arm mee. Eerst stribbelde hij geweldig tegen en zette hij een keel op als een mager varken. Op straat was hij echter weer heel rustig en ging hij kalm met de agenten mee. Zuster Hulsink ging ook mee om voor hem zijn bed klaar te maken. En zo gebeurde het iedere avond. Maar na een paar avonden was de politie niet mee nodig en was zr, Hulsink alleen wel voldoende. Op het politiebureau hield hij de wacht de hele avond bezig. Op een keer was hij ’s middags weggelopen. Hij ging naar huis, vertelde hij ons. ’s Avonds kwam hij inderdaad niet opdagen en op het politiebureau hadden ze hem ook al gemist. Maar ’s nachts kwam hij weer boven water. Hij was toch maar weer teruggekomen. Er was maar één Rode Kruis. Hij had het hier best naar zijn zin. Maar toen de politie hem weer kwam halen, deugde er niets maar dan ook niets meer van het Rode Kruis. Eindelijk brak de dag aan, waarop ook hij op transport gesteld zou worden. Er ging de volgende dag een auto van de firma Heinink van Alstede naar Zwolle, en nu konden we hem mooi meegeven. Nog enkele afgekeurden moesten die kant op, en verschillende burgers gingen naar het Noorden om eten te halen. Een politieagent zou hem wegbrengen. In Zwolle zou dan de politie daar hem overnemen en voor verder transport naar Kampen zorgen. Met de andere afgekeurden werd ook hij op de auto gezet. Ja, ze brachten hem nu wel weg, maar hij zou toch weer terug komen. Hij wist het Rode Kruislager best terug te vinden. Het was die dag vinnig koud en het zeildoek werd over de wagen heen gespannen. Zodoende waren de mensen een beetje tegen de koude en wind beschermd. Hij kwam echter met zijn hoofd buiten het kleed en zong uit alle macht, totdat eindelijk de wagen uit ons gezicht was verdwenen. We slaakten een zucht van verlichting en met ons de patiënten, die ook meer dan genoeg van hem hadden gekregen. Het was wel te begrijpen ook!

De “zwarten”.

In de huiskamer van den heer Ankoné of op diens privékantoor kwamen op ongeregelde tijden een groepje mensen bij elkaar, die de ondergedoken spoorwegmannen van voedsel, bonkaarten, kleding en geld voorzagen. Het waren de heren A., v.d. V., P. en de beide heren P. en v. D. Tevens werd hier veel ondergronds werk verricht en was deze plaats een veel voorkomend toevluchtsoord voor Engelse piloten. Nadat de Quarantaine haar werkzaamheden begonnen was, begonnen zij in samenwerking met de Quarantaine de zorg voor de vluchtelingen uit Duitsland  op zich te nemen. De Quarantaine zorgde er voor dat de “zwarten”- want zo werden de vluchtelingen al gauw door ons genoemd – werden gereinigd, behandeld en in de Quarantaine opgenomen. Zo spoedig mogelijk kregen zij door bemiddeling van bovengenoemde heren valse papieren en werden zij op transport naar hun woonplaats gesteld. Ging er een transport afgekeurden naar huis dan werden de zwarten eveneens met dit transport medegegeven. Meestal kwamen de vluchtelingen heel vroeg in de morgen of laat in de avond aan de deur kloppen van de Quarantaine en steeds werden zij geholpen. Voorlopig werden zij dan op stromatrassen in een apart gedeelte van de fabriek te slapen gelegd en werden dan, zodra de werkzaamheden op het badhuis begonnen, door een zuster daarheen gebracht. Om dan, na behandeld te zijn, met de officieel afgekeurden in de Quarantaine opgenomen te worden. Er ging geen dag voorbij of er zaten in de fabriek meerdere vluchtelingen zich bij de kachel te warmen. Een paar Duitse soldaten waren dikwijls in de fabriek aan het werk en deze wisten niet beter of het waren afgekeurden uit Duitsland, die nog naar het badhuis moesten om ontsmet te worden. In de fabriek werd gewerkt, de afgekeurden zaten om de kachel en Duitse soldaten liepen de fabriek in en uit. En alles ging goed. Het aantal vluchtelingen werd steeds groter. Ze kwamen over de grenzen. Veelal deden zij dit op eigen gelegenheid op gevaar af weer gepakt te worden. Meerdere malen kwam het voor, dat ze niet precies de weg wisten en zodoende in de armen van de Gestapo liepen. Daarna werden ze dan in een ander kamp ondergebracht: het straflager. Het zag er dan minder mooi voor hen uit. Weer anderen werden geholpen en dit lukte haast altijd. Van de Hollandse kommiezen had men geen last. Die hielpen zelfs wel een handje mee. En vrouwen en meisjes uit de grensstreek hielpen de zwarten de groene grens over en brachten ze naar de Quarantaine. Zo gebeurde het dagelijks. Van Denekamp kwamen ze, van de Poppe, Losser, Overdinkel en Enschede. Als men de grens maar eenmaal gepasseerd was, dan vond men het Rode Kruis in Oldenzaal ook wel. Ook de boeren hielpen de zwarten voort. In het begin van het bestaan van de Quarantaine, toen de transporten nog naar Hengelo gingen te voet, nam het Passantenhuis ook de zwarten van ons over en werden ze door hen verder op de trein gezet. We zijn het passantenhuis daar veel dank voor verschuldigd. Later, zoals al eerder is verteld, werden de afgekeurden rechtstreek in Oldenzaal op de trein gezet.

De Duitsers hebben ons blijkbaar  altijd vertrouwd, want de controle op het station heeft nooit veel te betekenen gehad. Wanneer er een transport vertrok, moest van tevoren een lijst in triplo met de namen van de vertrekkende personen, alsmede hun afkeuringspapieren bij de S.D. ingeleverd worden. Eén van ons ging dan met de lijsten naar het S.D. bureau op de Denekamper bult. Daar zetelde de S.S. Untersturmführer Lorenz, waarvan wij veel last hebben ondervonden en met hem heeft Dr. Pelser veel opwindende gesprekken gevoerd. De rechterhand van Lorenz was de Duitser Martin, die met twee Hollandse S.S.’ers het personeel op de Denekamper bult vormde. Martin controleerde met één van de beide Hollanders steeds de personen in de Quarantaine en we moeten eerlijk zijn, van hen hebben we nooit veel last gehad. Wel waren we natuurlijk steeds op onze hoede. Vertrouwen deden we die heren niet. De lijsten werden dan op het S.D. bureau “geprüft”, of er soms personen op de lijsten voorkwamen die zij zochten. Dat onderzoek nam altijd veel tijd in beslag, want hele boeken werden daarbij opgeslagen, waar de namen in stonden van personen die opgespoord moesten worden. Wanneer de lijsten onderzocht waren, typte Martin er een visum op voor de IJssellinie. Was Lorenz aanwezig dan hadden we geluk. Deze zette zijn handtekening eronder met een stempel. Dat stempel droeg hij altijd in de zak. Was Lorenz niet aanwezig, dan moesten we op zoek naar Lorenz. Een paar maal is het voorgekomen dat Lorenz niet te vinden was, en zodoende kon het transport niet vertrekken en werd de zaak in de Quarantaine aardig in de war gestuurd. Hadden we het stempel en de handtekening verkregen, dan werd het tranport op de trein gezet en gevoeglijk werden er steeds een paar zwarten meegegeven. Op het laatst hebben we het een paar maal gehad, dat er meer zwarten op de trein gezet werden als officiëel afgekeurden. Het eerste groepje zwarten hadden we al heel gauw in het begin in de Quarantaine opgevangen. Dit groepje was gelegerd in het Klooster te Bardel, even over de grens bij Glanerbrug. Vanuit de ramen van het klooster konden zij de Hollandse kinderen zien spelen en op een donkere nacht zijn ze aan een touw naar beneden gegleden en reeds de andere dag was het groepje, dolgelukkig natuurlijk, behouden in de Quarantaine aangekomen. De meesten in dit groepje hadden de handen stuk van het touw, waarlangs ze naar beneden waren gekomen vanuit het klooster. De zusters hebben ze echter goed verbonden en vol goede moed is het groepje de andere dag weer vertrokken.

Verschillende malen is de Quarantaine door het oog van de naald gekropen en niet alleen de Quarantaine maar ook het huis van de heer Ankoné. Op een keer belden drie vluchtelingen aan bij het huis van den heer A. In de gang van het ziekenzaaltje, welke gang ook toegang gaf tot de bovenwoning van den heer A., werden zij binnengelaten. De heer A. wilde eerst deze mensen eens polsen wie ze waren, waar zij vandaan kwamen en op welke wijze ze hier waren gekomen. Men moest zeer voorzichtig zijn en men kon zo licht in de val lopen. Het waren inderdaad zwarten en men had hen naar de heer A. gestuurd. Daar zouden ze wel verder geholpen worden. Plotseling kwam de S.D.-er Martin de gang in zetten. Hij wilde de heer A. spreken. De zwarten schrokken, maar de heer A. redde de situatie. Op de vraag van Martin wat deze mensen hier moesten doen, gaf hij ten antwoord dat het afgekeurden uit Duitsland waren die  aan het verkeerde adres waren. En tot de zwarten zei hij, dat ze de gang verder door moesten lopen. Ze kwamen dan vanzelf in de Quarantaine. Niet door de deur links, want dan kwamen ze in de ziekenzaal, maar de deur rechts moesten ze door. Martin gaf de raad om die “Schweinehunde” niet te woord te staan. Hij zou er nog eens wat van oplopen. Die kerels zaten allen onder het ongemak. De zwarten waren ondertussen de gang uitgelopen en waren tijdelijk door een zuster onder een houtstapel achter de fabriek verborgen. Al die tijd echter zat op de W.C. in de gang een Engelse piloot die door de heer A. werd verborgen. Toen de kust veilig was, kon hij de W.C. verlaten en de trap op gaan naar zijn kamer. Eveneens had de heer A. een Russisch meisje en ook zijn uit Duitsland gevluchte boekhouder in huis. Deze laatste maakte de valse papieren voor ons in orde. Een tweede maal kreeg de ziekenzaal beneden controle van de Feldgendarmerie. Er straalde te veel licht uit. De Duitsers waren als de dood zo bang van vliegtuigen, en die waren die avond in de lucht. Ze gingen dan ook geweldig te keer. Juist was de heer A. op het ziekenzaaltje om een praatje met de zieken te maken. Eén soldaat was in de gang achtergebleven en een ander stond reeds in de gang van de heer A. waar ook een lampje brandde. De heer A. rook onraad. Op de vraag van den Hauptmann wie de leider was, gaf de heer A. aan dat hij hem wel even zou telefoneren. In een ogenblik was hij boven en sloeg alarm. Met het radiotoestel onder de arm verdween hij door het geopende raam met drie piloten en den boekhouder over het platte dak van de fabriek, en kwamen ze achter de Quarantaine op de begane grond weer veilig beneden. Het raam was ondertussen al weer dicht gemaakt. Maar de Duitsers vertrouwden die kerel, die de leider zou opbellen, niet en waren nu spoedig ook boven. Ze kwamen in de huiskamer, waar mevr. A. al voorbereid was. Waar was die man die zojuist naar boven was gegaan? Zij had geen man gezien. En waarom had zij het licht aan? Wist ze dan niet dat ze geen licht mocht gebruiken? Ja, dat wist ze wel, maar omdat de Quarantaine licht mocht gebruiken, had zij eveneens licht. Enfin, daar gingen de Duitsers niet verder op in en keken nog in verschillende kamers, maar die kerel was nergens te vinden. Ze voelden dat ze bedot waren en weldra waren ze verdwenen. Dat waren angstige ogenblikken geweest. De boekhouder heeft die nacht in de Quarantaine geslapen en de piloten ergens anders. Een paar dagen later was het gevaar weer voorbij en was dat hele stelletje weer op hun kamer bijeen.

Op een andere keer zaten we op het kantoor. Smudde had zojuist valse afkeuringspapieren meegebracht. Deze waren tot een bundeltje opgerold en werden door een elastiekje bijeen gehouden. Hij had het achteloos voor zich op het bureau neergelegd. Plotseling ging de deur open en de S.D. stond binnen. Zoals gewoonlijk werden de informaties ingewonnen. Martin en zijn collega stonden voor het bureau en zonder dat wij er eerst erg in hadden, had Martin het bundeltje valse papieren opgepakt en speelde zo’n beetje met het elastiekje. We schrokken ons een aap en keken elkaar veelbetekenend aan. We voelden dat ons laatste uurtje geslagen had. Wat te doen? Het enigste was kalm blijven. Smudde kwam met het statistiekboekje voor de dag en probeerde Martin, na hem eerst een sigaret te hebben gegeven, mee naar de zal te laten gaan en zich van de stand van zaken te overtuigen. Het lukte! Martin wierp het bundeltje valse papieren weer op het bureau en hij en zijn maat verdwenen met Smudde naar achteren. Zodra ze verdwenen waren, werd het bundeltje valse papieren veilig opgeborgen.

De werkplaats van Ankoné

Eens gebeurde het dat een Gestapoagent rechtstreeks de fabriek binnen stapte. De man was berucht in Oldenzaal. De man met de pleister op zijn kin. Een twaalftal vluchtelingen zaten bij de grote fabriekskachel zich lekker te warmen. Zodra zij op het badhuis geholpen konden worden, zouden zij opgehaald worden. Ze zaten daar rustig, terwijl zij met belangstelling het werk in de fabriek gadesloegen. De jongens zitten, nadat de man met de pleister was binnengestapt, niet zo rustig meer. Vooral toen hij dichterbij kwam, begonnen ze hem te knijpen. De Gestapoagent wil het zijne er van weten. Twaalf jonge kerels die niets zitten te doen. Daar moet hij meer van weten. Hij snauwt en grauwt hen toe, maar dan is de heer Ankoné er als de kippen bij en brengt hem aan het verstand, dat het afgekeurden uit Duitsland zijn en dat zij zitten te wachten om ontsmet te worden, alvorens zij in het voorste gedeelte van de fabriek, de Quarantaine, zouden worden opgenomen. Nu zaten ze nog onder de luis en de schurft en men moest vooral niet te dicht bij die jongens komen, want anders beliep men de kans zelf ook onder het ongedierte te komen. Daar had de man met de pleister niet veel van terug en weldra was hij dan ook rap verdwenen, tot grote opluchting van de twaalf zwarten.

De IJssellinie werd gesloten. Niemand mocht de IJssel meer over. Daarvoor was de controle niet zo heel erg streng geweest en honderden mensen uit het westen des lands waren deze kanten opgekomen om wat eten bij de boeren op te scharrelen. In de Quarantaine hebben wij heel veel van die mensen kunnen helpen met eten en logies. Meerdere malen gebeurde het dat die zogenaamde hongertrekkers bij ons bleven slapen. Overdag gingen ze dan de boer op en kwamen dan tegen de avond de Quarantaine weer opzoeken. Zo bleven ze een paar dagen achtereen bij ons, en hadden ze dan wat voedselvoorraad bij elkaar gekregen dan vertrokken ze weer naar Holland. Eén keer hebben we een paar dagen een heel gezin geherbergd. Die familie was mij heel goed bekend uit Rotterdam. Man, vrouw en drie kinderen. Een zoon was ook met de razzia in Rotterdam opgepikt. Was uit Duitsland gevlucht en bij een boer in Breklenkamp ondergedoken. Die zoon gingen ze nu opzoeken. Een week later hebben we voor die een afkeuringspapiertje gemaakt zodat hij bij die boer rustig kon blijven. Het gehele gezin is in Breklenkamp gebleven. Het was daar beter als in Rotterdam. de moeder is direct daarna ernstig ziek geworden en werd naar het ziekenhuis in Oldenzaal vervoerd, alwaar ze spoedig is overleden. De vader kwam het mij vertellen en na de bevrijding is het gezin weer naar Rotterdam vertrokken …. zonder moeder! De controle op de hongertrekkers werd strakker. De politie moest op bevel van de Duitsers die mensen mee naar het bureau nemen. En wanneer ze een groepje bij elkaar hadden op het bureau. moesten deze mensen weer de IJssel overgezet worden. De manspersonen zouden dan onderzocht moeten worden in hoeverre ze in aanmerking kwamen voor de arbeidsinzet in Duitsland. Voor zover ons bekend kwam er nooit veel van die controle terecht. Alleen de surrogaatpolitie oefende zo nu en dan controle uit. Eén keer is de Quarantaine door het oog van de naald gekropen. Daar de laatste tijd de controle van de S.D. in de Quarantaine veel strakker werd, moesten we iets anders verzinnen om de zwarten uit de greep van de Duitsers te houden. Door bemiddeling van den heer A. werden de zwarten, nadat deze eerst op het badhuis behandeld waren en in de Quarantaine hadden gegeten, in een schuurtje aan de Weerseloschestraat bij de familie olde Loohuis ondergebracht. Nadat ze daar dan papieren hadden gekregen, werd er voor hun verder transport gezorgd. Meestal ging het van boer tot boer verder en waren er enkele plaatsen aan de IJssel, waar men hen over de rivier zette. Kwamen de zwarten ’s avonds in de Quarantaine aan, dan werden ze door een zuster weggebracht. Overdag echter was het moeilijker om de jongens weg te brengen. Het liep dan teveel in de gaten. Daarop belde men de familie olde Loohuis op dat er weer zo of zoveel stoelen klaar en onderweg waren. De jongens werden dan de weg gewezen hoe zij te lopen hadden. Eén van de familie olde Loohuis kwam de jongens tegemoet en was de kust veilig dan nam hij ze mee. Op een keer had de heer A. weer een drietal vluchtelingen vanuit de Quarantaine naar de fam. olde Loohuis verwezen. De jongens hadden pech. Ze waren de weg kwijt geraakt en waren verder gelopen. Onderweg werden ze aangehouden door den opperwachtmeester en N.S.B.’er uit Oldenzaal. De heer olde Loohuis was door het lange uitblijven van de drie zwarten ongerust geworden en was op de fiets gesprongen om de jongens te gaan opzoeken. Daar zag hij dat de jongens opgebracht werden. Hij belde direct den heer A. op en deze op zijn beurt kwam op het kantoor vertellen, dat het deze keer mis gegaan was. Wat te doen? Ja, wat te doen. We wisten niet of de jongens gezegd hadden dat zij uit de Quarantaine kwamen of niet. We zouden maar rustig afwachten. Inderdaad , niet lang daarna kwam het hele stel het kantoor binnen zetten. “Ja, meneer”, zo begon de Opper, “Ik heb deze knapen onderweg opgepikt. Zij konden geen papieren noch persoonsbewijzen vertonen. Ze verklaarden eerst dat ze uit Amsterdam afkomstig waren. Ze trachtten hier eten bij elkaar te scharrelen, en zo U misschien wel weet, is dit verboden. Ik wilde ze daarom meenemen naar de S.D. en dan daar dit zaakje beter uitzoeken. Daarop verklaarden zij dat ze thuishoorden in de Quarantaine en nu kwam ik eens even horen of dit inderdaad juist is.” Op de Quarantaine hadden ze gauw hun antwoord klaar. “Ja, kijkt U eens opper, die mensen horen inderdaad thuis in de Quarantaine. Morgen vertrekt er weer een transport. De papieren van al die mensen zijn nu bij de S.D. voor een visum voor de IJssellinie. En nu hebben we al deze mensen nog zo op het hart gedrukt om niet de straat op te gaan, omdat ze geen papieren hebben en de S.D. het ook niet wil hebben, dat de afgekeurden op straat lopen te zwalken. Maar we begrijpen het best. Die jongens weten natuurlijk dat het in Amsterdam niet zo goed van eten en drinken is, en daarom hebben ze natuurlijk bij de boeren wat roggebrood willen halen. We zijn U zeer dankbaar dat U ze hier gebracht hebt, want waren ze door de S.D. of de Grüne Polizei opgepikt”, dan waren ze zo één, twee, drie nog niet weer los geweest. De Opper was tevreden. We stuurden de jongens de zaal in met de mededeling, dat ze voor straf morgen niet mochten vertrekken. De jongens weg, dat kunt U begrijpen. Ze waren blij dat het goed afliep. De Opper bleef nog een praatje maken en drukt ons nog eens goed op het hart om toch vooral toe te zien dat de afgekeurden niet meer de boer opgaan. Daarna vertrok hij. We hebben de jongens weer laten roepen en deze vertelden ons hoe het geval zich toegedragen had. Het speet hun verschrikkelijk, dat ze ons zoveel last hadden bezorgd. Ze hadden niet gedacht, dat het nog zo goed zou aflopen. Maar wat moesten ze nu, zo vroegen zij. Daar moesten ze zich maar niet ongerust over maken. Toen het donker werd, kwam een boerenknecht hen al weer ophalen. ’s Nachts zijn ze nog bij olde Loohuis gebleven en reeds de andere dag gingen ze, met papieren, op verder transport richting de IJssel …

Op een andere keer kregen we controle van de politie. Niet van de goede, maar van de surrogaatpolitie. In plaats dat de heren rechtstreeks op het kantoor kwamen, gingen zij achterom de zaal binnen. Daar informeerden zij bij ons personeel hoeveel porties eten er die middag verstrekt waren. Maar daar werden ze niet veel wijzer. “Moet U maar op het kantoor informeren”, kregen zij ten antwoord. Ook in de keuken bij de zusters maakten ze een praatje en probeerden het hier te weten te komen. Maar daar vingen ze eveneens bot. De zusters verwezen hen naar het kantoor, daar werden de inlichtingen verstrekt. Tenslotte stonden de beide agenten dan op het kantoor en zij wilden graag even de vertrekstaten inzien, om daaruit te controleren hoeveel personen er de dag tevoren aanwezig waren en hoeveel personen er bij de distributiedienst opgegeven waren. De lijsten werden de heren ter hand gesteld en na enig puzzelen kwamen ze tot de conclusie, dat er 75 porties eten teveel verstrekt zijn en dat we meer personen gehad moesten hebben, als dat er op de vertrekstaten vermeld stonden. Mej. Sleyfer vertelde de heren dat ze volgens de vertrekstaten best gelijk konden hebben, maar het statistiekboekje gaf een heel ander beeld te zien. De zieken waren nog niet vertrokken, die stonden natuurlijk niet op de lijsten vermeld. En die moesten toch ook eten? Of begrepen de heren dat niet? Tevens was het transportje van die bedoelde dag ’s avonds niet vertrokken, omdat de trein uit Duitsland niet verscheen. Die zouden wel gebombardeerd geweest zijn. Dus die jongens die vertrekken zouden, kregen we terug in de Quarantaine en ze zijn pas de volgende morgen in Hengelo op de trein gezet. Die jongens moesten die morgens toch ook eten hebben. Of begrepen de heren dat niet? En de jongens hebben onderweg ook nog een portie brood meegekregen voor de lange reis! De beide agenten begrepen het niet goed. Ondertussen was dr. Visser het kantoor binnengekomen, die van de zusters al vernomen had wat de heren kwamen uitvoeren. Even later kwam de heer Smudde ook nog binnen, en bemoeide zich nu ook met het geval. “Ja heren”, zo zei één der agenten, “nu moet U niet denken dat wij U niet vertrouwen, maar controle moet er zijn; wij zijn ook maar gestuurd”. “Zo”, antwoordde dr. Visser, “het heeft er anders verdraaid veel van weg, dat jullie ons niet vertrouwen”. “Hoe bedoelt U?”, vroeg één der agenten. “Wel”, antwoordde de dokter en hij werd een beetje kwaad, “wanneer jullie ons niet hadden gewantrouwd, dan waren jullie niet eerst bij de zusters achter geweest om daar te informeren. Hier op het kantoor had U moeten komen. hier worden inlichtingen verstrekt, niet achter in de zaal!” Ja, dat was hun zaak, zeiden de agenten en ze konden er niets aan doen, maar bij hun chef moesten ze zeggen, dat de administratie niet klopte. Althans ze konden er niet uit wijs worden. Zo werd er nog even heen en weer gekibbeld tot de telefoon ging en van het badhuis men ons mededeelde, dat er weer een transport was aangekomen. De heer Smudde begon dat gekibbel te vervelen en hij zei tot de agenten: “We hebben nu geen tijd om meer te praten. We moeten naar het badhuis. Als jullie denken dat wij 75 porties eten te veel hebben aangevraagd, schtap ze dan maar. Jullie moeten niet denken dat wij om 75 porties verlegen zijn. Dus jullie zien maar.” De heren Heitkamp en Smudde zochten papieren bij elkaar. mej. Sleyfer nam de typemachine onder de arm en zij drieën vertrokken naar het badhuis om de nieuw aangekomenen te gaan registreren. De agenten gingen ook maar weg. Ze zagen wel dat ze hier niet veel wijzer werden. De rust op het kantoor was weergekeerd. Van het gehele geval hoorden we niets meer. We hadden er echter lering uit getrokken, we werden voorzichtiger.

Na de moord op Rauter werd de IJssellinie voorgoed gesloten. Dat wil zeggen voor onze afgekeurden. Voor de andere mensen was de IJssel al gesloten. Dat was voor ons een strop. Waar moest de Quarantaine met de mensen heen? Voor de afgekeurden was het een bittere tegenvaller. Niet meer naar Holland terug te mogen! Niet meer naar huis! De stemming onder de jongens zakte geweldig ineen. Wat zou er met hen gaan gebeuren? We wisten het zelf niet! Tot we bericht kregen van de S.D. dat op last van de Duitsers de afgekeurden weer opnieuw moesten gekeurd worden. Dus de officieel afgekeurden door een Duitsen arts, moesten weer bij hun aankomst in Holland gekeurd worden! Vertrouwen ze hun eigen artsen niet meer? De afgekeurden uit Duitsland zouden dan op het badhuis opnieuw aan een keuring onderworpen worden. Degenen die dan weer afgekeurd werden, zouden bij de boeren in de omgeving ondergebracht worden. De goedgekeurden werden achter de IJssellinie te werk gesteld. Voornamelijk op het vliegveld. En de Quarantaine zou dat zaakje in handen moeten nemen. De leiding van de Quarantaine protesteerde en vanaf die tijd begon de openlijke strijd van de Quarantaine met de S.D. en het Arbeidsbureau. Van het gesnauw, het gebrul en het gekrijs van Berners, een Duitser die  de lakens op het Arbeidsbureau uitdeelde, trokken we ons weinig aan. Vanaf deze tijd was dr. Pelser meerdere malen in woordenwisseling met den S.D.-er Lorenz of met den brulaap Berners. De Quarantaine was een instelling van de volksgezondheid en als zodanig beoogde zij het welzijn van de Hollanders. We wensten geen arbeidsbureau voor de Duitsers te zijn. Wanneer wij hun zin zouden doen, werden we automatisch ingeschakeld tot een reinigings- en ontsmettingsdienst in het belang van de Duitse weermacht. Onze doktoren weigerden hun medewerking. Meerdere malen kwam het plan bij ons op, om het zaakje er bij neer te gooien, maar de doktoren hielden ons daar steeds van terug. Niet doen! Niet doen! Het is nog maar een kwestie van weken. Een week later stapte Lorenz met zijn staf het kantoor binnen; S.D., Grüne Poizei, Arbeidsbureau en weet ik al niet meer. Lorenz nam het woord. Hij stak een redevoering af van ruim een kwartier lang. In het kort kwam het hier op neer, dat we met de Duitsers moesten samenwerken. Wie niet wilde kon zijn ontslag nemen. Maar er moest met de Duitsers samengewerkt worden. Ieder persoonlijk moest een verklaring tekenen dat hij medewerking zou verlenen of niet. Voor ’s avonds vijf uur moesten de verklaringen bij hem op het kantoor gebracht worden. Dus nu moesten we maar kiezen of delen.

Toen de heren weg waren hebben we met het gehele personeel deze kwestie besproken en unaniem besloten we een verklaring te maken, waarin werd medegedeeld dat we alleen onder leiding van dr. Pelser het Quarantainewerk zouden blijven voortzetten. Pas de andere dag waren de verklaringen bij Lorenz. Alleen wensten we het Quarantainewerk voort te blijven zetten onder leiding van dr. Pelser. Lorenz was ziedend van woede! De verklaringen had hij wel binnen maar wat voor verklaringen! Er kwam een N.S.B. dokter uit Enschede om de jongens opnieuw te keuren. De uitslag kregen ze pas in de Quarantaine. Ze werden nu steeds door de Grüne Polizei naar de Quarantaine gebracht. De jongens die dachten goedgekeurd te zijn, namen vanuit de Quarantaine de benen en keerden niet weer. Van alle kanten en op allerlei manieren werden de Duitsers nu om de tuin geleid. Slechts een klein aantal ging voor die eerste keer naar het vliegveld Twente. Een paar dagen later waren die jongens weer bij ons in de Quarantaine terug. Ze waren totaal ongeschikt bevonden om daar te werken. Nu liep in de Quarantaine alles door elkaar en de Duitsers konden het oog er niet meer ophouden. Er waren: afgekeurden, goedgekeurden, weer afgekeurden, een groep die helemaal geen papieren hadden en zieken. Op Zondag 18 maart hielden de Duitsers razzia in de Quarantaine. Boven het ziekenzaaltje, dus in de kamer van den heer A., zaten de ondergrondsen. De Quarantaine werd afgezet en zij dachten dat hun laatste uur geslagen had. Maar gelukkig voor hen was het op de Quarantaine bedoeld. Daar werden verschillende jongens ingerekend en door de Grüne Polizei naar het vliegveld Twente gebracht. Een paar dagen later werd het vliegveld gebombardeerd en de meesten waren op die avond weer op de Quarantaine teruggekeerd. Ondertussen werden de voor de tweede maal afgekeurden bij de boeren ondergebracht om aan te sterken. En verschillende boeren uit Oldenzaal, Losser, Overdinkel, Ootmarsum, Tubbergen, Denekamp, enz. moesten afgekeurden bij zich innemen. Voor ons werd het nu gemakkelijker om de zwarten ook bij de boeren onder te brengen. Het liep nu niet zo in de gaten als voorheen, wanneer men afgekeurden bij den boer zag. Of zij legaal of illegaal de grens overkwamen, kon men aan ’t gezicht niet zien. Zelfs vele gezinnen in Oldenzaal hadden mensen in huis van de Quarantaine. Het was alsof men het voelde dat de oorlog nooit meer lang kon duren.

Op Dinsdagnacht 27 maart 1945 werden huiszoekingen gedaan bij de heren Smudde en Heitkamp. Beide huizen werden door een S.S.-Sondercommando overhoop gehaald en werden de heren Smudde evenals hun moeder, de heer Heitkamp en nog enkele andere heren gearresteerd en de andere morgen naar Enschede overgebracht. Daar werden ze opgesloten. Ook Ankoné moest men hebben maar door een vergissing van de Duitsers, kwamen ze daar pas op  de Donderdag daarop. Met zijn gezin was hij het Lutterzand ingetrokken. Daar waren nog anderen van de ondergrondse ook verborgen. In de Quarantaine was er de volgende dag, volgende op de arrestatie van de heren Heitkamp en Smudde, heel wat consternatie. We wilden allemaal de benen wel nemen, maar wat gebeurde er dan met de jongens uit Duitsland? We bleven. Makkelijk was het niet. Een oud-inspecteur van politie, geëvacueerd uit Tiel, de N.S.B.’er Overeem, moest zogenaamd nu de leiding van de Quarantaine overnemen. Aldra hadden we in de gaten dat dit heerschap een hele grote mond had, maar in werkelijkheid had hij nergens verstand van. Hoe de zaken erbij stonden wist hij niet. Boeken en kasgeld nam hij in beslag en werden naar de S.D. in Enschede gebracht. De S.D. en het Arbeidsbureau dachten dat het zaakje nu wel in orde was met dit heerschap, maar ondanks deze konden we de zwarten beter helpen als voorheen. Hij liet steeds appél houden, maar niet één keer klopte het. Op het laatst begreep hij er niets meer van. Dat kon hij ook niet meer, want met het oprukken der geallieerden kwamen steeds meer Holanders uit Duitsland de grenzen over. Naar papieren werd niet meer gekeken. De Duitsers hadden het veel te druk met zichzelf. Donderdags na de arrestatie van de heren Heitkamp en Smudde, deed men een inval in het huis van Ankoné en in de Quarantaine. Maar de familie Ankoné was reeds verdwenen. Wel was er een getrouwde zuster van den heer A. met haar dochter in huis. Hun huis was in Hengelo weggebombardeerd, vertelde zij de Duitsers. Nu, dat was geloofwaardig. Maar waar was haar man dan? Ja, die werkte bij Stork in Hengelo. In werkelijkheid was hij een ondergedoken spoorwegman. Daar zagen de Duitsers een kopje teveel op tafel staan. Van wie was dat? De meneer uit de Quarantaine had hier een kopje thee gedronken. Het gevolg was dat die meneer van de Quarantaine ook bezoek kreeg en meegenomen werd naar boven en bij de andere dames op de divanbank gezet. Daar werden honderd en één vragen gesteld. Men zocht in kasten, gangen, op zolder. Ze hadden echter geen resultaat. De drie op de divanbank hadden er heimelijk plezier in. Ze waren er echter wel achter gekomen dat de fam. A. in het Lutterzand moest zijn, maar waar? Ja, dat wisten ze juist niet en dat konden de drie op de bank hen ook niet vertellen. Toen het resultaat nihil was mocht, de meneer van de Quarantaine weer naar beneden gaan. Op het kantoor van de Quarantaine werd alles nog ondersteboven gehaald. Ja, zelfs de brandkast kregen ze los, maar vonden niets. Toen het vier uur in de morgen was trokken de heren af. Ondertussen was een andere patrouille naar het Lutterzand gegaan. Het dienstmeisje van den heer A. heeft daar de zaak gered. Zij had de Duitsers in de verte aan zien komen en de heren A. e.a. gewaarschuwd, zodat deze allen in de bosjes in een hol konden wegkruipen. Mevr. A. heeft het een paar uur zwaar te verduren gehad, maar tenslotte konden de Duitsers ook uit haar niets loskrijgen, en vertrokken de Duitsers met de mededeling dat ze weldra met nog meer manschappen zouden terugkeren. Ze zouden en moesten de heer A. in handen hebben. Maar gelukkig hebben ze daar de kans niet meer voor gehad. De positie van onze gevangen collega’s werd er niet mooier op. Bij Smudde thuis had men enkele ontvangapparaten en stamkaarten met bonnen gevonden. We vreesden het ergste voor de gevangenen. We gaven geen cent meer voor hun leven. De doktoren zeiden maar steeds tot het personeel van de Quarantaine: volhouden, het kan hoogstens nog een paar dagen duren!

Toen kwam Gode zij dank uitkomst. De geallieerden lagen reeds voor Enschede en de S.D. moest daar de benen al nemen. Door een toeval werden onze gevangenen vrijgelaten en reeds Zaterdagmorgen hoorden we van familieleden, dat de heren vrij waren. We hebben een vreugdedans bovenop het bureau gemaakt. Maar deze ex-gevangenen lieten zich nog niet zien. De S.D.- er Lorenz had er de lucht van gekregen en die moet woedend geweest zijn. Ook hij moest echter de benen nemen en met hem Berners, Martin, de Grüne Polizei, e.a. Op Paasmaandag in de morgen denderden de eerste geallieerde tanks door de straten van Oldenzaal. De Duitsers waren verdwenen. We waren weer vrij. Na vijf bange jaren. Veel zorgen vielen nu van ons af. Vol vreugde was ons weerzien met hen die gevangen genomen waren. Allen waren nog in leven! Gode zij dank! De boeken en bescheiden zijn later op het kantoor van de S.D. teruggevonden. Eveneens werd ons daar een proces-verbaal ter hand gesteld, hetwelk door de S.D. in Oldenzaal gericht was tot het S.D.- Commando in Enschede, waaruit bleek dat men het werk in de Quarantaine “door” had. Het was maar goed dat de oorlog ten einde was, vast en zeker was het gehele personeel achter slot en grendel gekomen. Zowel voor de doktoren als de verpleegsters en verplegers had het er dan niet mooi uitgezien. Tenslotte zij het niet onaardig om het afschrift van bedoeld proces-verbaal hier weer te geven, waaruit bleek dat de Duitsers ons in die laatste weken danig in de gaten hadden.

     

Slot.

Ons werk is afgelopen! De oorlog is geweken en we zijn weer vrij …. Geen angst meer voor vliegtuigen ….  Geen angst meer voor razzia’s …. En onze mensen komen nu weer uit Duitsland terug …. Maar nu gaan we alles groots opzetten…. Er wordt al hard gewerkt. Grotere gebouwen, een nieuwe ontsmettingsinrichting. Dat moet ook wel, want de stroom van repatrianten wordt steeds groter. Vol dankbaarheid zien we nu terug op alles wat het Rode Kruis heeft mogen doen. Voor de terugkerende Hollanders! Dankbaar en tevreden mogen we daarbij zijn. Ondanks de gebrekkige middelen waarmede het Rode Kruis moest werken. Ondanks het weinige personeel, dat dag en nacht in de weer is geweest. Pro deo! Een aanzienlijk aantal afgekeurden hebben we mogen behandelen. Ongeveer 3000 landgenoten hebben we weer thuis kunnen brengen. Dat zijn de officieel afgekeurden. Velen daarvan waren ziek, de één erger dan den ander. Daarnaast hebben we echter ook de vluchtelingen kunnen helpen. Ongeveer 1500 “zwarten” hebben we mogen behandelen, voeden en op transport kunnen stellen. Dat het altijd goed gegaan is, is ons heden ten dage nog een raadsel. De “zwarten” zijn steeds goed overgekomen. Nooit hebben we nog vernomen dat er zelfs één weer gepakt zou zijn. Van de ongeveer 3000 officieel  genoteerde personen hebben we behandeld: 98 scabiesgevallen, 1704 kleerluisgevallen, 463 schaamluisgevallen en 303 hoofdluisgevallen.

Op 8 maart 1945 hebben we nog op verzoek van de gemeente Losser een transport evacués (338) van Lobith. Aerdt en Herwen gecontroleerd. Het gehele transport is door ons personeel behandeld, zo erg waren de gevallen van luis en scabies. Ons personeel is drie dagen achtereen onafgebroken met deze behandeling in de weer geweest.

Zo is het Rode Kruiswerk onder het mom van de Quarantainedienst ten einde! Veel personen hebben ons werk gesteund. Personen, zowel buiten als in Oldenzaal. Boeren, bakkers, winkeliers en particulieren! Hoewel deze mensen eigenlijk buiten het Rode Kruiswerk stonden, hebben ze met al hun ten dienste staande krachten medegewerkt. Dat hebben ze gedaan, liefdevol en geheel belangeloos! Dank daarvoor! Hartelijk dank. De afdeling zelf is te klein geweest om dit grote en moeilijke werk alleen te kunnen volbrengen. Het gehele personeel – we zijn er zeker van – zal met genoegen aan die moeilijke, aan die spannende, maar toch ook zo mooie  tijd, terugdenken. Aan die tijd van November 1944 tot April 1945!

LEVE HET NEDERLANDSE RODE KRUIS!        LEVE DE AFDELING OLDENZAAL!

Er zijn in de Quarantaine en in het ziekenhuis elf teruggekeerde dwangarbeiders aan ziektes en uitputting overleden, waaronder de Joodse Joseph Wurms: