U bent hier: Welkom » Personen » Slachtoffers C t/m K » Glaser, Francisca geh. Bouman

Glaser, Francisca geh. Bouman

  • Geboren 09-12-1889 te Nijmegen
  • Overleden 16-04-1943 te Sobibor, Polen – 53 jaar
  • D.v. Jonas Glaser, hotelhouder, en Regina Simson
  • Weduwe van Salomon Bouman, slager

Francisca kwam in februari 1913 vanuit Enschede als modiste bij Jonas Kan te Oldenzaal. In oktober 1913 vertrok ze naar Arnhem.

Zij was één van de jongsten uit het gezin met acht kinderen. Haar moeder overleed in 1928 en haar vader in 1930 te Arnhem. Ze trouwde in 1919 met Salomon Bouman, samen kregen ze drie kinderen. Haar man was slager en later koopman. Hij overleed al in 1926 te Arnhem. Francisca woonde aan de Zijpendaalscheweg 53a te Arnhem, waar ze pensionhoudster was.  

Haar gezin was met enkele anderen op twee verschillende adressen ondergedoken in Wageningen. Francisca, Bernard en Jette op één adres en Sonja Lea en Irene met drie anderen op een ander adres. In de avond en nacht van 2 op 3 april werden tijdens invallen alle negen onderduikers gearresteerd en in het politiebureau opgesloten. De volgende dag werden ze overgebracht naar Scheveningen.

Het hele gezin kwam op 10 april 1943 naar kamp Westerbork. Ze gingen op 13 april op transport naar kamp Sobibor, waar ze kort na aankomst werden omgebracht.

Holocaustslachtoffer, evenals haar man, haar zoon Bernard, dochter Sonja met haar man, en dochter Irene. Als ook haar broers Falk Jonas  en Siegmund en zus Julia met deels hun gezinnen. Haar broer Leopold overleed in 1944 in Bandung, Indië. De broers Eliaser en Maximiliaan en zus Bernardina waren al voor de oorlog overleden, hun gezinnen zijn meest omgekomen. Broer Maximiliaan was trouwens getrouwd met Franziska Krause, een zus van Klara Löwenstein-Krause. Van de familie van haar man zijn drie zussen omgekomen.

Joods monument te Arnhem.

* De twee kinderen van broer Falk Jonas hebben de oorlog overleefd. Naast zoon John had hij een dochter Regina Roosje. Over haar werd door Paul Glaser, de zoon van John,  een boek geschreven: ‘Tante Roosje, het oorlogsgeheim van mijn familie’.

Het bezoek aan Auschwitz gaf het leven van Paul Glaser een bijzondere wending. In een vitrine zag hij een grote stapel koffers. Op een van de koffers stond zijn eigen achternaam. De vondst van deze koffer zorgde er uiteindelijk voor dat hij besloot het geheim van zijn familie te onthullen: het verzwegen lot van zijn tante Roosje (1914-2000) en de Joodse identiteit van zijn familie.

Die tante heette Rosa Regina Glaser en was, toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, een levenslustige danseres die middenin het leven stond. Het feit dat ze Joods was zei haar eigenlijk niet zo heel veel, maar naarmate de oorlog vorderde werd ze, als zoveel Joden, op een pijnlijke manier meer en meer geconfronteerd met haar Joodse wortels.

Het werd steeds lastiger voor de danseres om op te treden en ook het runnen van haar dansschool werd alsmaar moeilijker. Niet alleen de welbekende anti-Joodse maatregelen maakten het haar onmogelijk haar leven in te richten zoals ze zelf wil, ze had ook nog eens te kampen met dubieuze Hollanders. Met een echtgenoot bijvoorbeeld die zich in liet palmen door het nationaal-socialisme en later bleek een zogenaamde goede vriend een verrader. Als Jodin werd ze, of ze zich nou Joods voelde of niet, hoe langer hoe meer geïsoleerd van de rest van de samenleving.

De veerkrachtige Rosa maakte  gedurende de oorlogsjaren zelfs het ondenkbare mee. Rosa Glaser werd, na als Joodse onderduiker door een ‘vriend’ te zijn verraden, opgepakt door Nederlandse agenten en belandde via de kampen Westerbork en Vught onder meer in Auschwitz en Ravensbrück. In Westerbork knoopte ze een relatie aan met een SS-officier waardoor een transport naar Polen gerekt werd. Uiteindelijk ontkwam Rosa echter niet aan het gevreesde transport naar Auschwitz. Ook dit kamp wist ze echter te overleven. Ze werkte er bij de gaskamers en later leerde ze SS’ers dansen op Duitse liedjes als ‘Warum ist es am Rhein so schön’. Rosa Glaser overleefde uiteindelijk zes concentratiekampen.

Bewonderenswaardig is de levenskracht die Rosa ook op de meest zwarte momenten wist vast te grijpen. Haar vastbeslotenheid te overleven en haar waardigheid te behouden zijn ontroerend. Na de oorlog ondertekende ze al haar brieven met de naam Rosita. In de letter ‘R’ tekende ze voortaan een klein lachend gezichtje. “Als lange neus naar al diegenen die mij klein hadden willen krijgen. Ze hebben me niet gekregen.”

Glaser-Francisca-geh.-Bouman