U bent hier: Welkom » Oorlogsverhalen » Verzetsdaden van een typiste bij Gelderman

Verzetsdaden van een typiste bij Gelderman

Interview met Mini Wevers-Meijer 1927-2016 door Martin Meijerink

Bij het verzamelen van verhalen over het station van mijn geboortestad Oldenzaal, werd ik er door Dick Schüter op geattendeerd dat er een oude vrouw in Oldenzaal woonde, die verhalen kon over het station van Oldenzaal en de Jodentransporten. Ik kreeg haar telefoonnummer en ik belde haar direct. Een vrolijke prettige stem klonk aan de andere kant van de lijn en ze was direct in voor een gesprek: “Wanneer wil je komen, ja het mag nu wel”. Toen ik naar haar wooncomplex fietste, dacht ik: die vrouw kan niet de oorlogsjaren hebben meegemaakt, gelet op haar krachtige en vrolijke stem. Ze opende de deur van haar woning aan de Beukersmolen en ik werd heel hartelijk welkom geheten. Ze zette een karaf water op tafel en twee glazen en direct begon ze met haar verhalen.

Wevers Mini Destijds was ze met haar ouders vanuit Enschede naar Oldenzaal gekomen, ze woonde met haar ouders in bij haar oma Meijer aan de Watertorenstraat 49, het huis met die grote seringenboom. Het was 1938 en ze was enig kind. Ze kwam in de derde klas van de Nutsschool aan de Hengelosestraat. Bij juffrouw Zorber uit Goor, een lieve en leuke lerares. Vanaf het begin raakte ze bevriend met haar klasgenootje Woutje Roelofs, de dochter van kapper Roelofs uit de Carmelstraat.

Ze vertelde dat op 10 mei 1940 de eerste Duitse pantsertrein Oldenzaal binnen reed en op een verkeerd spoor was gezet. Later hoorde ze dat de seinhuiswachter een sabotagedaad had verricht en op de vlucht was geslagen. Dat gaf in de stationsomgeving en de Watertorenstraat veel ophef. Duitsers gewapend met geweren trokken door de straten. De Haerstraat de Bijvanckstraat,de Watertorenstraat en de Prins Bernardstraat werden doorzocht. “Ik heb die razzia niet als gevaarlijk ervaren, maar wel heel spannend. Wij waren nog kinderen en ons van geen kwaad bewust, ik was twaalf jaar.”

De Duitsers zongen ; “Wenn wir Fahren gegen Englanden wij zongen luid:Wij willen Holland houden” , dat vonden de Duitsers niet zo leuk. Ook de NSB-er die in de Bijvanckstraat woonde stond naar ons te roepen dat we weg moesten gaan. Ik was boos toen ik zag dat de Duitsers de witte seringenboom van mijn oma en de blauwe seringen boom van de familie Harperink kaal plukten. De seringen werden in de lopen van de kanonnen gestoken die op de pantser trein stonden. We gingen gewoon naar school samen met Woutje Roelofs en Liesje Boelens. Met Liesje Boelens kon ik het niet zo goed vinden, ze is dan ook geen echte schoolvriendin van mij geworden. Ik kon goed leren, was tenger en klein van stuk en geen opvallende schone zoals Liesje Boelens.

Wevers Mini Het hoofd van de Nutsschool, meneer van den Brugge, kwam bij ons thuis op bezoek en hij stelde voor dat hij mij ging aanmelden bij meneer Gelderman. Mijn ouders en oma vonden dit goed en zo kwam ik op zestienjarige leeftijd bij de firma Gelderman. Ik werd tewerkgesteld in de afdeling die ‘Semarang’ werd genoemd. Ik was ietwat verlegen en voelde mij onzeker toen ik bij de textielfabrikant meneer Joan Gelderman sr. werd ontboden. Ik kreeg het verzoek, eigenlijk meer een opdracht, om te leren typen. Op een grote Remmington typemachine leerde ik brieven typen en loonstaten maken, waaraan ik voldeed en met succes. Meneer Nijland was mijn baas op de afdeling. Ik werd overgeplaatst naar het hoofdkantoor waar nu de woningbouwcorporatie WBO is gevestigd. Hier werkte ook Liesje Boelens als telefoniste. Reeds vanaf de schooltijd was er een rivaliteit tussen ons ontstaan. En dat werd nog eens versterkt doordat de Engelse mevrouw Gelderman (Grace Edith Führken) veel meer aandacht schonk aan mij dan aan haar.

Op een dag werd ik bij haar en haar man Joan geroepen en ze vroegen mij of ik in de avonduren ook wilde werken. Ze vertelden mij dat ik dan een werkvergunning zou krijgen, waarmee ik ’s avonds ook over de straat mocht. Het was een Ausweis zo bleek later. Ik was zeer vereerd, maar ze vertelden mij er nadrukkelijk bij dat ik daar met niemand over mocht praten. Dat heb ik wel gedaan, ik heb het aan mijn oma verteld en die zei dat ik dat wel mocht gaan doen. Ik kreeg van meneer Joan Gelderman een papiertje met daarop mijn naam en een stempel met een adelaar en een hakenkruis. Enkele keren per maand ging ik s’avonds naar het badhuis aan de Steenstraat, het badhuis was dan leeg en verlaten. Er hing een geur van lysol en en het was er bedompt en vochtig.

Wevers MiniHier was naast het kantoortje waar de typemachine stond een opslagruimte met kurken, met touwen en riemen aan elkaar gemaakt. Die werden gebruikt om te leren zwemmen. Een enkele keren moest ik wachten, want dan waren de priesters van de katholieke kerk binnen. Daar in het badhuis moest ik papieren tikken voor de mensen van wie de namen door mevrouw Grace Gelderman aan mij waren doorgegeven. Het lijstje met namen moest ik na afloop altijd weer inleveren bij mevrouw Grace Gelderman of haar man Joan.

Op het formulier dat werd getikt, stond altijd de naam van de firma Gelderman en dat het nodig was dat deze persoon werkzaam bleef in het arbeidsproces bij Gelderman. Beschikte men niet over zo’n bewijs dan werd men opgepakt, zo werd er gezegd. Er stond op wie men was en waar men werkte. Er was geen pasfoto op bevestigd en ook geen vingerafdrukken. Wanneer ik deze getypte formulieren weer terug had gegeven, vroeg meneer Joan Gelderman enkele dagen later of ik naar de Ortscommandant aan de Steenstraat wilde gaan om de formulieren te laten tekenen en te laten afstempelen.

Wevers Mini Wanneer ik in de hal van de Ortscommandant moest wachten, stond daar een hoge stoel met leren rugleuning. Even later werd ik bij Hauptman Menzel binnengelaten door de wacht, die nadat ik was binnen gelaten, met klappende hakken de kamer weer verliet. Ortscommandant Menzel noemde bij ieder briefje de naam, keek mij doordringend aan,  en tekende en stempelde de door mij getypte formulieren. Twee stempels, een Duitse adelaar en het hakenkruis, en de handtekening van de Ortscommandant. Daarna deed ik de formulieren in een schooltas en met een knik of groet verliet ik de kamer van de Ortscommandant. De wacht liet mij uit en met de schooltas ging ik terug naar het kantoor. Dat heb ik wel acht keer zo gedaan. Ik heb mij daar bij nooit bang of angstig gevoeld, ik was niets wetende en maakte een onschuldige indruk. Bij terugkomst op het hoofdkantoor was men verheugd dat ik terug was en mevrouw Gelderman beloonde mij met witbrood met boter en suiker.

Het was in 1944 dat er een lange trein met Joden moest stoppen ter hoogte van de fabriek en de spoorsloot naar de Eekte. Enkele Joden waren uit de wagons ontsnapt en hadden zich verstopt in de spoorsloot. Toen de trein was vertrokken, kwamen ze tevoorschijn en samen met  meneer Sukkel hebben wij ze verstopt in de kelder van ‘Semarang’. Meneer Joan Gelderman kwam mij persoonlijk en streng op het hart drukken, dat ik hierover absoluut moest zwijgen. En dat heb ik gedaan, ik heb het zelfs niet aan mijn oma verteld. Toen ik later opnieuw werkvergunningsverklaringen moest laten tekenen bij Ortscommandant Menzel, heb ik wel Wevers Minieven gedacht dat deze bestemd waren voor de vier ontsnapte Joden uit de trein. Mevrouw Gelderman zorgde voor eten en drinken en samen met meneer Sukkel werd het eten naar de Joden gebracht. Steeds werd mij op het hart gedrukt dat ik er met niemand over mocht praten. Op mijn verjaardag, 14 augustus 1944, trakteerde mevrouw Gelderman mij weer op wittebrood met suiker en boter en noemde mij een lief meisje.

Het was inmiddels laat geworden, maar  we waren nog lang niet uitgepraat. Ik nodigde haar uit om met mij te gaan eten in de stationsrestauratie van Oldenzaal, en om haar te vertellen wat ik over de oorlogsjaren had ervaren. Ik maakte nog enkele foto’s aan de keukentafel en op de galerij met op de achtergrond de Plechelmustoren en ging naar huis. De andere ochtend belde ze om negen uur op. Ze had nog een fietsplaatje uit de oorlog en nog oude foto’s en ze zou nog het verhaal opzoeken over het geplande bombardement op het station van Oldenzaal.

Enkele dagen later krijg ik een mailtje:

Dag Martin, In mijn schoonmoeders agenda las ik dat ze op 21 juni een gesprek met u had over het station van Oldenzaal. Ze heeft er van genoten en ons er van alles over verteld. Op vrijdag 24 juni ging ze op de fiets, niemand weet nog precies waarheen en is ze op de terugweg naar huis aangereden door een taxi. Daar was haar lichaam niet tegen bestand en aan de gevolgen hiervan is ze zaterdagmiddag 25 juni om één uur overleden. Wij zouden gaarne met u in contact komen. Met vriendelijke groet namens de familie, Christien.