U bent hier: Welkom » Oorlogsverhalen » Ooggetuige van begin tot eind

Ooggetuige van begin tot eind

Over Henri Max Corwin, geschreven door Herman Haverkate

Corwin Henri Max ‘Er zit gevaar in de lucht, ik ruik het’, schreef de Joodse ondernemer Harry Cohen in 1942 in Oldenzaal. 75 jaar na de oorlog komt zijn dochter Noor met een uitgave van zijn dagboek. Als een monument voor haar vader, maar ook als een waarschuwing. „Het gevaar is er nog steeds.” Meer dan vijftig jaar heeft ze niets van het dagboek willen weten. Na de dood van haar vader in 1962 lag het bij haar moeder thuis in Oldenzaal. Als een brandende herinnering aan iets dat ze het liefste wil vergeten. Maar toen waren er, in 1997, op haar kantoor plotseling die woorden van de vrouw met wie ze al 25 jaar samenwerkte. „Ze vertrok van kantoor met de volgende woorden: ik wil net als mijn moeder niet met Joden samenwerken.”

Het voorval, 23 jaar geleden, betekende een keerpunt in het leven van Noor de Vries Robbé-Corwin (80). Er ontwaakte iets in haar dat haar terugvoerde naar het eigen verleden in Oldenzaal. Naar de figuur van haar vader vooral: Henri Max Cohen (‘Harry’ voor zijn vrienden), de man die zich ook na de oorlog altijd bewust bleef van het antisemitisme en om die reden in 1955 zelfs besloot om zijn naam te veranderen in Corwin. „Veel Joden hebben dat gedaan in die tijd. Het was de tijd van de Koude Oorlog. Hij was bang voor nieuwe namenlijsten. Het kiezen van een andere nieuwe naam betekende bescherming. Een neef uit Amerika bracht hem op het idee. En zo dook hij tien jaar na de oorlog opnieuw onder, maar nu in een naam.”

Corwin Henri MaxBeklemmend – Noor woont allang niet meer in Oldenzaal. Ze trok er weg om te gaan studeren. Met het vertrek uit de Boeskoolstad verdween ook de schaduw van de oorlog. „Het gevoel dat we anders waren, is in Twente nooit weggeweest. Jochies op straat riepen ‘Jör”, als ze ons zagen. Ook al hadden we een andere naam, iedereen wist wie we waren.” Pas in haar studietijd in Groningen verdween dat beklemmende gevoel. „Ik was eindelijk vrij. Mijn leven begon als het ware opnieuw.” Thuis, in Den Haag, vertelt Noor de Vries Robbé-Corwin met gedrevenheid over wat sinds 1997 haar levenswerk is geworden: bekendheid geven aan de figuur van haar vader en datgene wat hem, overlevende van de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog, tot zijn dood in 1962 heeft bewogen. Na het boek dat ze tien jaar geleden zelf over hem schreef, is er nu de publicatie van zijn dagboek uit de oorlog. Samen met enkele brieven vormt het de basis van ‘Ooggetuige van begin tot eind’, een indringende getuigenis van wat hem en miljoenen lotgenoten in de Tweede Wereldoorlog overkwam.

Groeiende angst – „Vanaf de dag dat hij is gaan schrijven, 22 september 1942, voelde je elke dag zijn angst groeien. Mijn vader had veel contacten en had al heel vroeg een vermoeden van wat er in de kampen gebeurde. Hij schrijft daar ook over: dat kinderen uit kamp Vught in Polen zijn vergast en dat de Joden worden vermoord. Ergens staat dan ook die ene zin: ‘Er zit gevaar in de lucht, ik ruik het’. Woorden die je nooit meer vergeet als je ze hebt gelezen. De mensen op straat zeggen: ‘Kiek, doar hei’n nog ’n Jör’. Waarop hij zegt: ,Wees blie da’j nog ’n Jör seen könt.’ Het dagboek loopt tot de dag van zijn arrestatie. Wat er daarna gebeurt, zijn ontsnapping uit de trein en zijn onderduikperiode, heeft hij later toegevoegd. Het dagboek zelf hebben we als familie overgedragen aan het NIOD in Amsterdam.” Ik heb me vaak afgevraagd hoe mijn ouders zich in die tijd hebben gevoeld

Corwin Henri MaxTranen – Henri Max Cohen was een succesvol ondernemer. Hij had een poetskatoenfabriek in Oldenzaal en nam volop deel aan het sociale en culturele leven van voor de oorlog. „Hij was hartelijk, ondernemend maar ook emotioneel. Als kind heb ik hem vaak in tranen gezien.” Aan de oorlog heeft ze zelf geen herinneringen. „Ik was te jong. We moesten ons huis, villa Welgelegen, verlaten en woonden bij een bevriend echtpaar in huis. Omdat mijn moeder niet Joods was, waren we relatief veilig. Mijn vader kwam in het laatste oorlogsjaar een paar keer langs, maar we zagen hem pas echt terug na de bevrijding. Toen ook zijn we weer gaan wonen in Welgelegen.” Ze denkt nog veel aan haar vader. Aan de naoorlogse jaren vooral, de periode die ze ook zelf heel bewust meemaakt. Harry Cohen heeft dan zijn fabriek weer geopend. Op een Harley Davidson, gekocht van de geallieerden, bezocht hij leveranciers en klanten. Sterker nog dan voor de oorlog stortte hij zich in het Oldenzaalse leven. Hij schreef en regisseerde revues, organiseerde Oranjefeesten en was een wekelijkse bezoeker van bridgeclub De Culbertsons in Hotel Müller.

Verloren tijd – „Er zat een ongekende energie in hem. Alsof hij de verloren tijd in wilde halen. Er moest worden gewerkt en geleefd. Ik heb me vaak afgevraagd hoe mijn ouders zich in die tijd hebben gevoeld. Van hun Joodse vrienden en familie was bijna niemand over. Van de 67 Joden in Oldenzaal zijn er vijf teruggekeerd. Bijna elke dag waren er verhalen over de kampen, over mensen die waren weggevoerd en vermoord. Af en toe ook keerde er wel iemand terug. Mijn vader wilde ons daarvoor beschermen, maar dat lukte niet altijd. Ik weet ook dat ik als kind een keer de kamer ben uitgerend omdat ik die ellende niet langer meer aan kon horen.”

Ontnuchtering – Na de euforie in die eerste naoorlogse jaren volgde bij Harry Cohen de ontnuchtering, het besef dat er – ondanks alles wat er in de oorlog was gebeurd – eigenlijk niets veranderd was. „Hij merkte dat hij nog steeds dat Joodse stempel droeg, dat mensen hem nog steeds niet als een gewoon medemens zagen. Een van zijn relaties weigerde zelfs om hem een hand te geven. Tegelijkertijd merkte en zag hij ook dat het leven voor al die anderen gewoon doorging. Het besef dat er een complete groep verdwenen was, was er nauwelijks. Vooral ook dat laatste raakte hem in het hart en maakte dat hij wilde vertellen. Vertellen over het Joodse leven van toen, over al die families in Twente die hier al eeuwenlang woonden en er nu opeens niet meer waren.”

Het antisemi­tis­me is niet weg. Het is er nog steeds Talloze lezingen gaf Harry Cohen, overal in Twente. Onvermoeibaar was hij op pad, onderzocht en verzamelde hij wat er over Joden in Oost- en Noord-Nederland bekend was. Tegelijk ook probeerde hij de propagandamachine van de nazi’s te ontrafelen, onder meer door postzegels te verzamelen waarmee het Derde Rijk zich in de jaren 30 op de kaart probeerde te zetten. „Hij wilde laten zien hoe het heeft kunnen gebeuren en ook: hoe we zouden kunnen voorkomen dat het opnieuw gebeurt.”

Corwin Henri MaxOpluchting – In 1962 overleed Harry Cohen plotseling. Met de fabriek ging het na zijn dood snel bergafwaarts, net als met de hele textielindustrie in Twente. Wat rest, zijn de verhalen en het dagboek dat, onaangeraakt, al die jaren in de kast lag. Dat het nu voor iedereen toegankelijk is, voelt als een opluchting voor Noor de Vries Robbé-Corwin. Ook is er inmiddels een website waarvan de naam uitdraagt wat haar en haar vader al die jaren bewogen heeft: gevaarindelucht.com

„Ik zie dit boek als een monument voor hem. Maar tegelijk ook als een waarschuwing. Lees het en je weet wat er kan gebeuren als mensen, van wat voor achtergrond of geloof ook, worden geïsoleerd en in de hoek gezet. Het antisemitisme is niet weg. Het is er nog steeds. Sommige mensen willen nog steeds niet weten, anderen doen alsof er niets is gebeurd. Het dagboek van mijn vader is nog even actueel als toen.”

Boek: Henri Max Cohen, Ooggetuige van begin tot eind, notities over de Jodenmoord

Dit verhaal verscheen op 12-02-2020 in de Twentsche Courant Tubantia

Foto Nora – Twentsche Courant Tubantia @Jos van Leeuwen