U bent hier: Welkom » Oorlogsverhalen » Herdenkingssteen uit WWII – deel 2

Herdenkingssteen uit WWII – deel 2

Een andere kijk op de familie Gelderman

Gelderman ChrisMet toch wel een beetje onwezenlijk gevoel begin ik met het vervolg van de helse tocht van Chris Gelderman in het laatste oorlogsjaar. Hij heeft er namelijk zelf nooit over verteld; hij kòn er niet over vertellen, omdat de herinneringen te pijnlijk, te traumatisch waren. Toch weten we wel ongeveer wat hij meegemaakt heeft. Vorig jaar verscheen er een boek van een lotgenoot, die er ook niet over vertellen kon. Dat was Max Moszkowicz, de later beroemd geworden Maastrichtse strafpleiter met in zijn kielzog zijn eveneens spraakmakende zonen: een echte advocatenfamilie dus. In het boek ‘De Bokser’ wordt uitstekend gedocumenteerd zijn levensverhaal verteld, dat van januari tot en met mei 1945 parallel loopt met dat van Chris Gelderman.

 

Mauthausen is voor Chris al de negende plek, waar hij gevangen gehouden wordt. Voor hem is het, net als Dachau, een doorgangskamp waar hij ongeveer een week verblijft. Of hij hier dagen moet wachten om te douchen en opnieuw gedesinfecteerd en geregistreerd te worden, weten we niet. Wel krijgt hij hier een nieuw kampnummer: 98103. Maar voor de ‘blijvers’ is het een hel. Gelderman ChrisZe moeten 186 onregelmatige treden naar beneden lopen om in de steengroeve grote blokken natuursteen te hakken. Die zware blokken, tot wel 50 kilogram zwaar, moeten door de ondervoede gevangenen in geordende rijen en in looppas naar boven gedragen worden. Sadistische SS-bewakers slaan je naar boven of trappen je neer. Deze helse trap wordt niet voor niets de ‘trap des doods’, de ‘Todesstiege’, genoemd.

Gelderman Chris

De Todesstiege, Mauthausen

Mauthausen is op papier het enige concentratiekamp in Oostenrijk, maar het had vele nevenkampen onder zich. Rond 20 september 1944 wordt Chris doorgestuurd naar zijn tiende kamp, het ‘Aussenlager’ Melk. Deze plaats ligt prachtig aan de Donau en het schitterende barokke klooster steekt daar romantisch boven uit. Chris heeft de gave om mooie portretten te tekenen en hij tekent ook deze prachtig gelegen abdij. Maar schijn bedriegt. Voor de kampbewoners is het een kwestie van overleven. Zij moeten diepe gangen graven in de bergen, enorm zware en ongezonde arbeid. In dit tunnelstelsel komen onderaardse wapenfabrieken, veilig voor vijandige bommen. In deze fabrieken werkt men in een drieploegendienst.

Intussen stort na het Westfront ook het Oostfront ineen. Het Rode Leger valt Polen binnen. Half januari 1945 wordt Auschwitz op beestachtige wijze door de nazi’s ontruimd. Maar liefst 60.000 Joden beginnen in bittere kou, zonder eten en drinken, hun drie dagen lange ‘dodenmars’ door de sneeuw. De SS-bewakers hebben de opdracht iedereen die de stoet ophoudt of niet verder kan wegens uitputting neer te schieten. Eén op de vier overleeft deze helse tocht niet: 15.000 doden in drie dagen(!). De sterksten hebben zich in leven weten te houden door het eten van gras, varkensvoer en sneeuw. Dan gaat het opgepropt in kolenwagons verder naar de Duitse of Oostenrijkse kampen.

Gelderman ChrisDe 18-jarige Max Moszkowicz overleeft deze ‘dodenmars’, net zoals hij 2½ jaar lang Auschwitz overleefd heeft door in het kamp mee te doen aan bokswedstrijden. Op 25 januari komt hij aan in Mauthausen. Omdat de Duitsers de administratie uit de Poolse kampen vernietigd hebben, moeten de 4800 Joden zich hier in de chaotische drukte opnieuw laten inschrijven. Max ziet zijn kans schoon. Heel brutaal verandert hij van identiteit. Hij geeft een andere achternaam op en maakt zich twee jaar ouder. Hij is geen scholier, maar kok. Hij is geen Jood meer, maar protestant, een Nederlandse politieke gevangene. Zo denkt hij meer kansen op overleving te hebben. Vier dagen later wordt hij, samen met de Nederlandse verzetsstrijder Herman Coenradi, op een vrachtwagen doorgestuurd naar nevenkamp Melk. Hier ontmoeten ze Chris Gelderman, die de bijbelvaste Coenradi al kent vanuit de kampen Natzweiler en Dachau.

Gelderman ChrisBegin april nadert het Russische leger Wenen. De Duitsers besluiten om Melk in alle haast te ontruimen: 21.000 gevangenen moeten evacueren. De meeste Nederlanders varen op 11 april in twee dagen per boot in schitterend voorjaarsweer over de Donau naar Linz. Aan boord is zelfs toiletpapier! Maar dan moeten ze in rijen van vier nog 90 km zuidwaarts lopen naar het laatste en allerergste kamp: Ebensee. Voor twee dagen krijgen ze als proviand wat brood, worst en margarine mee, maar de meesten eten het direct op. Ze doen er vier dagen over en eten gras of andere planten. Max Mosckowicz gaat twee dagen later in een overvolle goederenwagon per trein. Hij doet er 36 uur over om Ebensee te bereiken. Daar hoort hij, dat zijn 42-jarige vader twee dagen eerder ‘abgespritzt’ is, gedood door een dodelijke injectie. Nu is hij de enige uit het gezin die nog in leven is, want zijn moeder en jongere broer (12 jaar) en zusje (2 jaar) zijn in september 1942 bij aankomst in Auschwitz rechtstreeks naar de gaskamers gestuurd.

Ebensee ligt diep verscholen in de naaldbossen. Het is in april 1945 zo’n beetje het laatst overgeble-ven ‘veilige’ bastion, waar de SS gevangenen kan huisvesten. Maar door de ontruiming van andere kampen wordt Ebensee overspoeld door uitgeputte Häftlingen.

Er is nauwelijks voedsel en de gevangenen moeten lepeltje-lepeltje met z’n drieën of vieren in één bed liggen. Honderden zieke en uitgehongerde gevangenen sterven er elke dag of krijgen een dodelijke injectie. Het crematorium kan het niet aan en in de buurt wordt een massagraf gegraven, waarin duizenden ongeregistreerd hun laatste rustplaats vinden. De gevangenen vermageren sterk. ‘Een kamp vol skeletten’, noemt iemand dit helse oord.

Als je nog kan werken moet je, net als in Melk, in het ondergrondse tunnelstelsel dwangarbeid verrichten voor de Duitse oorlogsindustrie. Het plan is om hier, veilig tegen luchtaanvallen, de productie van V2 raketten voort te zetten. Het basiskamp daarvoor, Peenemünde, is immers door de geallieerden gebombardeerd. Maar de tijd is daarvoor te kort en men schakelt over op het produceren van andere wapen-onderdelen. Op 1 mei horen sommige gevangenen dat Hitler dood is. Voedsel is er niet meer. Er heerst cholera en dysenterie. Een aantal kampbewakers en SS-ers vluchten in burgerkleren. Er is bij hen terecht angst voor de wraak van de uitgehongerde kampbewoners. Het wordt chaotisch in het kamp, waar ieder wanhopig en egoïstisch probeert te overleven.

Op 5 mei vraagt de gehate kampcommandant bij het appèl, of iedereen zich naar de tunnels wil begeven. “Daar ben je veilig tegen een Geallieerd bombardement,” zegt hij. Maar de achterliggende gedachte is om die ruimte direct daarna met dynamiet op te blazen, massavernietiging dus. De gevangenen hebben dit door en verzetten zich collectief en schreeuwen: “Nein, nein, nein!”

Gelderman Chris

6 mei 1945 Ebensee, een ‘kamp vol skeletten’, bevrijd

Een dag later rijden twee Amerikaanse tanks en een jeep door de poort het kamp binnen. “We zagen duizenden mannen die vel over been waren en misschien nog maar 30 kilo wogen”, schrijft later één van die bevrijders. Net voor die bevrijding heeft Max Mosckowicz een klein notitieboekje (10 x 5 cm) bemachtigd. Hij weet dat de bevrijders er aan komen en schrijft: ‘Ik lig nu in mijn kooi en denk hoe het zijn zal. Eén ding staat vast. Ik voel dat het raar zal zijn om weer als een gewoon mens, en niet als een gestreept monster in een Lager iedere minuut voor je leven te vechten. Wie niet in een K.Z. was, zal nooit weten wat het is in zo’n hel te zitten, te weten dat je maar een ‘nummer’ bent. Word je verbrand en geen haan kraait naar je. Maar ik ben te treurig om te schrijven. Mijn hart schreeuwt naar vrijheid, en net hoor ik fluiten en schreeuwen. Het grote ogenblik is daar!!!!!”

Op 8 mei besluiten vier Nederlanders niet op een georganiseerde repatriëring te wachten. Dat kon wel eens heel lang duren. Die vier mannen zijn Chris Gelderman (38 jaar), Leendert van der Meijden (34 jaar), Herman Coenradi (29 jaar) en Max Mosckowicz (18 jaar). Ze lopen het kamp uit. Een Amerikaanse soldaat houdt hen staande, maar Chris vraagt hem dan op autoritaire toon naar ‘the commanding officer’. Deze woorden zijn blijkbaar voldoende om het kamp te mogen verlaten. Het ligt voor de hand dat de oudste, Chris dus, de leiding heeft over dit initiatiefrijke viertal. In zijn notitieboekje beschrijft Max de terugreis. Ze lopen de 35 km langs de Traunsee in noordelijke richting naar Gmunden. Lopen duurt te lang, is te vermoeiend. De volgende dag nemen ze vier fietsen in beslag van nazi-Duitsers. Op dag 3 wordt het even spannend: ze moeten zich in een waterput verstoppen voor een stel nog gewapende Duitse soldaten. Ze slapen in een hooiberg en krijgen de volgende morgen van de boerin ‘het eerste eitje in vier jaar’. De fiets van Chris is geen beste en hij ‘haalt’ een betere bij de nazi-burgemeester. Via Passau aan de Duitse grens bereiken ze Auerbach, maar ze zijn hondsmoe en kunnen niet meer, uitgeput. De vijfde dag wordt daarom een noodzake-lijke rustdag. Op dag 6 melden ze zich bij een Amerikaans legerkamp. Daar valt weer op, hoe gemakkelijk Chris in het Engels communiceert. Geen wonder, want het is niet alleen de Zwitserse kostschool die hem vloeiend Engels deed spreken, het was zijn Engelse moeder die hem dat leerde. Engels is dus – letterlijk – zijn moedertaal. Hij krijgt het voor elkaar, dat het viertal al heel snel, samen met 68 andere Nederlanders in vrachtwagens mee mag op de terugtocht naar hun vaderland.  Op 14 mei passeren ze de Nederlandse grens bij Zevenaar, waarna ieder zijns weegs gaat.

Gelderman Chris

Poort Bulten. Net buiten beeld, links van het kruisje, heeft de steen op een ‘bergje’ gestaan.

Het duurt niet lang, of Chris kan zijn vrouw in zijn armen sluiten. ‘Ik kom terug,” had hij 3 jaar geleden zijn vrouw beloofd, en nu staat hij daar, sterk vermagerd, vel over been en ziek door tbc en tyfus.  Het duurt maanden voor hij opgeknapt is. Over zijn belevenissen kan hij niet praten. Zijn keel wordt bij de kamp-herinneringen als het ware dichtgeknepen. Maar vergeten kan hij het niet. Een jaar na de bevrijding plaatst hij op een verhoging (‘bergje’) aan de vijver bij zijn huis Poort Bulten een herdenkingssteen. ‘Ter herinnering aan mijn gevallen vrienden’, laat hij er op beitelen. Vaak zit hij hier in zijn eentje, in gedachten verzonken. De steen staat daar ‘opdat wij niet vergeten’.

Chris overlijdt in 1990, zijn vrouw een jaar later. Het huis wordt verkocht en de herdenkingssteen wordt naar het Palthe Huis gebracht.

En nu nog de verklaring van de ondertitel van dit verhaal: een andere kijk op de Gelderman familie. Een gevleugeld gezegde in Oldenzaal schijnt te zijn: “Hold ie ze dom, dan maak ik ze krom.” Dat zou een Gelderman-directeur ooit tegen de pastoor hebben gezegd, misschien wel op het aparte zwemuurtje voor de geestelijken in het Geldermanzwembad in de Steenstraat. De historiciteit van dit gezegde is nooit aangetoond. Het geeft blijk van een wel heel eenzijdig en verwrongen beeld van de heren Gelderman, die toch meer dan een eeuw de broodheren van Oldenzaal geweest zijn. Voordat de leerplicht in 1900 wordt ingevoerd, neemt men in de Geldermanfabriek alleen jonge mensen aan, die kunnen lezen en schrijven! Ook wordt de werknemers gratis bijscholing aangeboden. Dat dom houden klopt dus echt niet.

Gelderman ChrisOp de Geldermanfabriek zou je minder loon verdienen dan bij de textielfabrieken elders. Als dat al klopt, dan heeft men geen rekening gehouden met de sociale houding van de directie: bij ziekte, bedrijfsongeval of overlijden wordt men geholpen, terwijl geen wet de werkgever daar toe dwingt.

En dan voor mij de aanleiding tot deze ondertitel: de Gelderman familie heeft onvoorstelbare offers gebracht in de Tweede Wereldoorlog. Het zijn verzetsmensen van het eerste uur geweest.

Joan Gelderman Sr. en zijn broer Herman houden in WO II de fabriek open, ook als er voor veel arbeiders eigenlijk geen werk is. Zo behoeden zij hen voor de vaak gevaarlijke en verplichte tewerkstelling in Duitsland. De gaarkeuken van de Geldermanfabriek heeft veel Oldenzalers in die barre tijden voedsel verschaft. Er zijn mensen in de fabriek verborgen gehouden, die gezocht worden door de nazi’s. De villa’s van zowel Joan Sr. (De Hulst) als van Herman (De Haer) worden inbeslag-genomen. Beide gezinnen vinden dan een onderkomen in het kantoorgebouw van de fabriek.

De kinderen van Joan Sr. zitten alle vijf in het verzet. In het kort geef ik daarover de volgende feiten op een rijtje:

  • Oudste zoon Chris, zo hebben we gelezen, heeft elf kampen moeten overleven vanwege zijn verzetsactiviteiten. Na zijn gevangenneming wordt zijn woning in de Emmastraat, net als veel andere stadsvilla’s, ‘gevorderd’, in beslag genomen door de Duitsers. Zijn vrouw verhuist naar Poort Bulten, waar ze onderduikers herbergt. Neergekomen Engelse parachutisten geeft ze korttijdelijk onderdak en helpt ze verder op hun vluchtlijn naar het zuiden. Jachtopziener en buurman Cees Sukkel is bij dit stille illegale werk betrokken.
  • Dochter Molly zorgt in haar woonplaats Eindhoven voor het onderbrengen van Joden. Ze heeft in 1968 de Israëlische benoeming ‘Rechtvaardige onder de volkeren’ gekregen voor het schuilhouden van Joodse kinderen;
  • Dochter Clara is in haar woonplaats Londen actief in het verzet. Haar man, Karel Beukema toe Water, wordt bij Rijssen gedropt, opgepakt in het ‘Englandspiel’, in Mauthausen ingeschreven onder kampnummer 96531 en een dag later op 7 september 1944 met 46 anderen geëxecuteerd. Als officiële doodsoorzaak wordt dit, zoals zo vaak gebeurde, anders vermeld: ‘auf der Flucht erschossen’…..
  • Zoon Tonny zit negen maanden als gijzelaar vast in Haaren en St. Michielgestel. Daarna is hij tot de bevrijding ondergedoken op een boerderij in Volthe.
  •  Gelderman ChrisJongste zoon Joan Jr. wordt vanwege zijn illegale activiteiten in februari 1944 gearresteerd. Eind augustus 1944 (of begin september) wordt hij in fort Rijnauwe bij Utrecht (of in kamp Vught) gefusilleerd. Ter nagedachtenis aan onder andere zijn zoon laat Joan Sr. in 1948 een mooie Mariakapel met herdenkingssteen aan de voet van de Tankenberg verrijzen.

Rijn van Welij

Dit artikel verscheen eerder in ‘Ons Oldenzaal’.                

Geraadpleegde bronnen:

  • In Losser is niets gebeurd….. 1940-1945 een terugblik, door J. J. Luizink, uitg. Stichting Historische Kring Losser
  • Geschiedenis van de textielfabriek H.P. Gelderman & Zonen in Oldenzaal, door Philip Gelderman (e-book, zie website Gelderman Stichting)
  • Website Natzweiler Struthof Vriendenkring
  • De Bokser, door Marcel Haenen, uitg. Querido
  • Inlichtingen, gekregen van de kinderen van Chris Gelderman, van het NIOD en van Mauthausen Memorial / KZ-Gedenkstätte
  • Geldermannen en vrouwen, door Dick Schlüter, uitg. Heinink Media

Toevoeging: Tegelijk met hem zat de Rossumse verzetsman Jan Vos in Natzweiler-Struthof. De familie Vos werd door iemand op laakbare wijze in de stellige overtuiging gebracht op een spoedig te verwachten behouden terugkeer. Ze zaten met smart op zijn komst te wachten, maar Jan kwam maar niet thuis. Toen ze daarop navraag deden bij Chris Gelderman hoorden ze het diep ontstellende nieuws dat Jan in januari 1944 al was overleden.